Hobrederweg 13
De Glazen Kas

kavel
AK41
verpondingsnummer
149
bouwjaar
1839
wijk
D128
OAT nummer
I278
eerste boerderij
1616
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
Boerderij De Glazen Kas aan de Hobrederweg
(Collectie Historisch Genootschap Beemster)
In 1612 werd de Arenbergerkavel 41 aan de Hobrederweg naast de Beetsersloot toebedeeld aan Willem Usselincx. Hij kwam oorspronkelijk uit Antwerpen en vestigde zich in de jaren 1590 als koopman in Amsterdam. In 1602 schafte hij voor ƒ 1200 aan aandelen in de VOC aan. Usselincx was een van de grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster en verkreeg in 1612 411 morgen land. Hij liet direct op verschillende kavels boerderijen bouwen.
Het zat hem echter in de handel niet mee, misschien had hij het te druk met andere bezigheden. Usselincx was een man met een missie. Hij zette zich fanatiek in om naar het voorbeeld van de VOC een West-Indische Compagnie op te richten. Vooralsnog zonder resultaat, pas in 1621 werd de WIC opgericht. Intussen was het met Usselincx in financieel opzicht snel bergafwaarts gegaan. In 1617 ging hij failliet. Een jaar eerder besloot het polderbestuur al om zijn landerijen bij executie te laten verkopen, omdat hij grote achterstand had in het betalen van de belastingen. De AK41 had hij al enkele jaren eerder verkocht aan Pieter Courten.
Willem Usselincx in 1637 (Rijksmuseum)
Pieter Courten (1581-1630) was een zoon van Guillaume Courten, een Vlaamse lakenhandelaar die in 1567 door Alva gevangen was genomen maar met de hulp van zijn vrouw wist te ontsnappen en naar Londen vluchtte. Zijn zoons bouwden de lakenhandel uit tot een internationaal handelshuis, William in Londen en Pieter in Middelburg. Pieter Courten behoorde tot de oprichters van de kamer Zeeland van de Westindische compagnie en was een van de belangrijkste bewindhebbers. Zijn huwelijk met de weduwe Hortensia del Prado bleef kinderloos. Het paar woonde in “het Grote Huijs” aan de Lange Noorderstraat in Middelburg en was goed bevriend met buurman Jacob Cats. Deze maakte een lofdicht op de tuin van Hortensia met de strofen: “Daer heeftse menich fruyt uyt alle vreemde landen, Daer menich aerd-gewas van alle verre stranden”. Pieter Courten is waarschijnlijk nooit in de Beemster geweest. Hij liet een kaartboekje maken van zijn Beemster bezittingen zodat hij toch een indruk had. In dit boekje staat een fraaie afbeelding van de boerderij die hij aan de Hobrederweg had laten bouwen, voor zover bekend de oudste afbeelding van een stolpboerderij. Op het hek is het jaartal 1616 en de naam van de boerderij zichtbaar: Wt Zee Lant . Een toepasselijke naam zo vlak na de droogmaking en bovendien een verwijzing naar de woonplaats van de eigenaar. In 1627 verkocht Pieter Courten de boerderij met 45 morgen land, de AK41 met de tegenoverliggende AK31 en de Arenberger restantkavel 11 aan de Oosthuizerweg, voor ƒ 30.375 aan Grietjen Jans, weduwe van de Amsterdamse koopman Jacob Fredricx.
Tekening van de boerderij aan de Hobrederweg (onder) met links de Beetsersloot (Utrechts Archief)
De boerderij in 1644
Door het ontbreken van enkele transportregisters is niet duidelijk hoe de volgende eigenaar, Pieter Wrocht (1643-1679), in bezit van de kavel is gekomen. Hij was koopman en woonde aan de Keizersgracht in Amsterdam. In 1670 verkocht hij de “huijsinge met plantagie en land” op de AK41 aan de Hobrederweg voor ƒ 25.550 aan Thomas Nierop.
Thomas Nierop († 1708) was advocaat te Hoorn. Hij was in 1683 getrouwd met Elisabeth Boogh († 1703), maar ze hadden geen kinderen. Bij testament bepaalde hij dat de zusters Elbertina Naamsloot († 1725) en Eva Lijn († 1743) de boerderij in de Beemster erfden. Zij lieten deze in 1723 op hun naam overboeken en verkochten de boerderij met land op dezelfde dag aan Poulus Draeck. Hij betaalde ƒ 615 per morgen.
Poulus Draeck († 1724) was een Hoornse koopman. Hij kwam oorspronkelijk uit Amsterdam waar hij in 1709 als weduwnaar in het huwelijk trad met de weduwe Lijsbet Sijmons Ridder († 1734). Zij staat in het verpondingsregister vermeld als eigenares van een “boerehuijs met landerijen” aan de Hobrederweg. Omdat zij kinderloos overleed, erfde volgens haar testament haar zuster Trijntje de boerderij.
Trijntje Sijmons Ridder trouwde in 1692 in Amsterdam met Albert Barentsz Backer, een makelaar uit Hoorn. Bij de verdeling van haar nalatenschap in 1738 vererfde de boerderij op haar dochter Maritje Backer. Zij was eerst in 1728 getrouwd met Dirk Nopper en hertrouwde een jaar na zijn dood met de weduwnaar Jan Sint uit Alkmaar. Ook zij overleed zonder directe nakomelingen. Haar erfgenamen verkochten in 1769 de boerderij met land in een openbare veiling voor ƒ 6300 aan Pieter van Akerlaken.
Mr. Pieter van Akerlaken (1722-1784) stamde uit een van de rijkste regentengeslachten in Hoorn. Hij zat tweemaal in de schepenbank en bekleedde diverse andere bestuurlijke functies. Ruim een ton van zijn vermogen van ongeveer ƒ 350.000 was belegd in landbezit. In 1750 trouwde hij met zijn achternicht Petronella Bregitta van Foreest (1730-1782), een dochter van Mr. Cornelis van Foreest die aan de Volgerweg een buitenplaats bezat. Bij de boedelscheiding van zijn ouders vererfde de boerderij aan de Hobrederweg op zoon Cornelis Christoffel.
Cornelis Christoffel van Akerlaken (1752-1800) zat sedert 1776 tot de Bataafse omwenteling van 1795 in de vroedschap van Hoorn. In 1789 was hij burgemeester. Hij trouwde enigszins beneden zijn stand in 1785 met Elisabeth Stoel (1763-1834), een dochter van een VOC-stuurman. Zij erfde na de dood van haar man de AK41. Opvallend is dat bij de overboeking slechts sprake is van een schuur met 20 morgen land. Ook bij het transport na de verkoop in 1805 wordt alleen melding gemaakt van een schuur. Kennelijk is rond 1800 de oude boerderij verdwenen.
Andries Cornelisz Jansis was voor ƒ 8500 de nieuwe eigenaar. Hij betaalde 4000 gulden contant en sloot voor het resterende bedrag een hypotheek af ten gunste van de verkoopster. Toen deze kustingbrief een jaar later werd getransporteerd aan Mr. Gerbrand de Vicq stond er nog ƒ 4000 tegen een rente van 6% open. Waarschijnlijk had Andries al vrij snel na de aanschaf van de kavel een nieuw huis laten bouwen, want in de legger van de eigenaren die in 1809 begint, staat bij zijn bezittingen een huis met 20 morgen land op de AK41 vermeld. Andries Jansis was in 1792 getrouwd met Aagje Hendriks Bouman († 1806), een weduwe met twee kleine zoontjes. Zij was in 1785 in het huwelijk getreden met Pieter Pietersz Eijssen († 1791) die volgens het begraafregister woonachtig was aan de Hobrederweg. Mogelijk was hij de pachtboer. Zowel Aagje als haar beide echtgenoten waren doopsgezind. Met Andries kreeg zij nog zeven kinderen van wie alleen twee dochters volwassen werden. In 1820 transporteerde Andries Jansis de AK41 aan Klaas Peereboom en aan zijn stiefzoon Hendrik Pietersz Eijssen.
Klaas Peereboom (1783-1825) kreeg de westelijke helft met het huis. Volgens het Registre Civique uit 1811 woonde hij aan de Hobrederweg. Na zijn dood werd het huis met de 10 morgen land verkocht aan Cornelis Jansz Klerk voor ƒ 8085.
Cornelis Klerk (1758-1839) was geboren op de Beets. In 1782 trouwde hij met Lijsbeth Jans Leeuwenkamp (1756-1826) uit de Beemster. Volgens de Volkstelling van 1830 woonde Cornelis Klerk verderop aan de Hobrederweg in de boerderij op de Arenbergerkavel 39 die hij ook bezat. Op de AK41 was Pieter Pietersz Knip (1788-1857) de pachter. Hij woonde er met zijn tweede vrouw Trijntje Boom (1771-1837), een werkman en een dienstbode. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was Cornelis Klerk nog steeds de eigenaar van het huis dat werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. Uit de minuutplan blijkt dat dit waarschijnlijk geen stolpboerderij was gezien de plattegrond van het huis.
De minuutplan uit 1813 (Noord-Hollands Archief)
Bij de verdeling van de nalatenschap van Cornelis Klerk in 1839 kwam de AK41 in bezit van zijn dochter Maartje.
Maartje Klerk (1787-1840) was in 1813 getrouwd met Hendrik Pietersz Eijssen (1787-1863), een zoon uit het eerste huwelijk van Aagje Hendriks Bouman. Hun oudste twee zoontjes overleden een paar maanden na hun geboorte, maar de andere vier kinderen werden volwassen. Hendrik en Maartje lieten in 1839 een nieuw huis bouwen op hun kavel. Maartje kon daar echter niet lang van genieten want ze stierf een jaar later. Hendrik erfde de nieuwe boerderij. In 1854 bezat hij volgens de Landbouwtelling 1 paard, 17 koeien, 3 kalveren, 34 schapen en 8 varkens. De laatste jaren van zijn leven woonde Hendrik Eijssen bij zijn zoon Cornelis aan de Middenweg. De boerderij aan de Hobrederweg werd toen overgenomen door zijn jongste zoon Jan Eijssen (1823-1861). Uit zijn huwelijk met Wullemet Doets werden vijf kinderen geboren van wie er twee jong overleden.
Na de dood van Hendrik Eijssen kocht Wullemet Doets (1823-1879), inmiddels weduwe, de boerderij uit de nalatenschap. In de aankondiging van de openbare verkoping op 13 augustus 1863 is sprake van een “Huismanswoning, Schuur, Boomgaard, Werf en een kavel best Grasland te zamen groot 16 Bunders en 67 Roeden”. Twee jaar later hertrouwde zij met Simon Beets die het boerenbedrijf voortzette. Met hem kreeg ze nog een jong gestorven zoontje. Twee zoons uit haar eerste huwelijk, Hendrik en Poulus Eijssen, kregen bij de scheiding van haar nalatenschap de boerderij in gezamenlijk eigendom. In 1894 kocht Hendrik zijn broer uit.
Op de herziene plan uit 1880 is de stolpboerderij duidelijk zichtbaar (Noord-Hollands Archief)
Hendrik Eijssen (1848-1929) trouwde in 1891 met zijn achternicht Antje Hendriks Eijssen (1865-1934). Het huwelijk bleef kinderloos. In 1907 verkocht Hendrik zijn wagens en karren met een "bekend mak paard", gereedschappen en enig huisraad. Hij vertrok met zijn vrouw naar Middenbeemster. Als pachter kwam Dirk Reijne op de boerderij. Hij was in 1897 getrouwd met Wolmet Eijssen, een nichtje van Hendrik. Ze kregen twee kinderen. Volgens de Landbouwtelling van 1910 bezat Dirk 2 paarden, 17 melkkoeien, 15 stuks mestvee, 6 kalveren, 102 schapen en 26 lammeren, 10 varkens en 12 biggen en 7 kippen. Op 28 oktober 1926 werd aan de Hobrederweg een boelhuis gehouden waarbij al het vee, wagens, machines en gereedschappen en huisraad werd verkocht.
Simon
Willem Eijssen (1887-1959), directeur te Alkmaar, kreeg bij legaat de boerderij na de dood van Hendrik en Antje Eijssen in eigendom. Zijn vader Jan was een halfbroer van Antje. Hij was geboren in Oosthuizen en trouwde in 1921 met Cornelia Davina Calkoen (1888-1952), dochter van de burgemeester van Edam. Op dat moment was zijn beroep kaashandelaar. Hij verkocht de boerderij in 1955 aan Jacob Brommersma uit Kwadijk.
Jacob Brommersma (1887-1987) was geboren aan de Oostdijk als zoon van Maarten Brommersma, een broer van bovengenoemde Jan, en Geertje Jacobs Doets. Uit zijn huwelijk met Aafje Overeem (1898-1985) uit De Rijp, met wie hij in 1918 was getrouwd, werden twee zoons geboren. Jacob was eerder pachter geweest op deze boerderij, maar liet de bedrijfsvoering over aan zijn oudste zoon Maarten die er al in de jaren '40 boerde. In 1961 werd een bouwvergunning verleend voor een verbouwing van de woning in de boerderij. De boerderij met schuren, stal en ruim 16 hectare weiland werd in 1977 verkocht aan Cornelis Aris Francis, landbouwer aan de Jisperweg. Hij verkocht de boerderij in 1992 aan de familie Beugel. De huidige eigenaren hebben deze sinds mei 2012 in bezit.