Hobrederweg 6

kavel
BK76
verpondingsnummer
nvt
bouwjaar
1918
wijk
C252
OAT nummer
nvt
eerste boerderij
1879
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
Links naast de molen de nieuwe boerderij, 1892
(foto Stichting tot Behoud van de Nachtegaal)
De minuutplan uit 1813, boven de Hobrederweg en rechts de Middenweg (Noord-Hollands Archief)
De Binnenkavel 76 op de zuidwestelijke hoek van de Middenweg en Hobrederweg is vanaf de verloting van de kavels op 30 juli 1612 in het Slot te Purmerend altijd verdeeld geweest. De kavel werd in twee stukken van 10 morgen toegewezen aan de Amsterdamse koopman Arent ten Grotenhuijs en Floris Claesz Koen uit Assendelft. Twee jaar later verkocht Arent zijn helft aan Floris.
Floris Claesz Koen liet het overboeken op een ‘gezamenlijke rekening’ met zijn jongere broer Jan Claesz Koen en Jan Claesz Reael. De gebroeders Koen behoorden tot de grote boeren te Assendelft. Later verhuisden beiden naar de Beemster. Ook Reael kwam uit Assendelft. In 1629 werd de compagnieschap tussen de drie beëindigd. Jan Reael kreeg de meest westelijke vijf morgen en kocht in 1636 voor 5000 gulden van Jan Claesz Koen de naastgelegen vijf morgen. Deze westelijkste helft van de kavel is nooit bebouwd geweest. Daarnaast lag een stuk van vijf morgen dat in bezit kwam van Floris Claesz Koen en vererfde op zijn nageslacht. Ook dit stuk was niet bebouwd.
Het oostelijkste stuk van vijf morgen kreeg Jan Claesz Koen. Daar was vanouds wel bebouwing. Op de hoek aan het plein stond een huis genaamd De Hoornse Keet. De erfgenamen van Jan Claesz Koen verkochten deze vijf morgen in 1665 aan
Barent Jansz Outersman. Hij verkocht vier jaar later voor 400 gulden twee erven van 70 en 30 roeden op dit stuk land aan Jacob Annesz Backer. Deze liet er omstreeks 1670 een korenmolen en een huis bouwen. In de 18e eeuw kwam er op dezelfde kavel aan de Middenweg een bakkerij bij.
De korenmolen was in 1798 met het woonhuis en alle rechten voor ƒ 4000 gekocht door Jacob Cornelisz Wortel en Willem Cornelisz Zomerdijk. Jacob overleed reeds twee jaar later, Willem in 1808. Zijn weduwe, Anna Maria Coffers, bleef met vijf jonge kinderen achter. Zij hertrouwde dan ook een jaar later met Gerrit van der Lee (1782-1824), een molenaarsknecht uit Enkhuizen. Met hem kreeg ze nog vier kinderen. Oudste zoon Mattheus van der Lee (1810-1870) erfde driekwart van de molen en het huis en Cornelis Zomerdijk, de oudste zoon van Willem, kreeg een kwart. Cornelis Zomerdijk (1799-1875) was eerst korenmolenaar in de Wormer, maar kocht in 1833 een boerderij aan de Jisperweg. Pas in 1872 verkocht hij zijn aandeel in de molen aan Cornelis van der Lee, een zoon van Mattheus.
Aldert Jansz Taams (1896-1973) was melkslijter in Amsterdam voordat hij in 1931 naar de Purmerenderweg in de Beemster verhuisde. Per advertentie vroeg hij in november 1932 om te koop staande boerderijen en kocht daarop de boerderij aan de Hobrederweg. Enkele jaren later kocht hij ook Meerenberg aan de Volgerweg die hij vier jaar later weer van de hand deed. Hij was een bekende veefokker en won diverse prijzen met zijn koeien en schapen. Hij was geboren in Oostzaan en trouwde daar met Grietje Fraaij (1894-1962). Zij kregen drie kinderen die na de dood van hun moeder gezamenlijk mede-eigenaar van de boerderij werden. Oudste zoon Jan was toen chirurg en vrouwenarts in Willemstad op Curaçao, zijn broer Gerrit was oogarts in Dordrecht. Bij de boedelverdeling na de dood van Aldert kreeg hun zuster Geertje Taams (1924-1984) de boerderij in eigendom. Zij was getrouwd met Pieter Jan Mus (1924-2002), directeur van de vleeskeuringsdienst in Hoorn. Hij hertrouwde met Marie de Jong. Hij bezat de boerderij met schuren en 14,5 ha weiland als erfgenaam van zijn eerste vrouw.
Cornelis van der Lee (1849-1932) trouwde in 1873 met Catharina Maria Velzeboer (1851-1926) van de Jisperweg. Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren. Cees van der Lee was volgens zijn kleinzoon in een artikel over de molen “een zeer ondernemend man”. Niet alleen was hij korenmolenaar, hij was ook actief handelaar, met name in granen. Tevens was hij vetweider. Vanaf 1876 kocht hij diverse stukken land aan tot hij op twee morgen na de gehele Binnenkavel 76 in bezit had. In 1876 kocht hij van de bakker Cornelis Wortel ruim 2 ha land naast de molen. Hij liet het oude molenaarshuisje slopen en bouwde er een nieuwe boerderij met schuur en kapberg. Ook liet hij een nieuwe brug bij de boerderij aanleggen, waarover de wagens met graan naar de molen konden. Voor zijn graanhandel liet hij een graanpakhuis bouwen.
In juni 1918 brandde de boerderij van Cornelis van der Lee door onbekende oorzaak tot op de grond toe af. Hij liet deze onmiddellijk herbouwen. Na de dood van zijn vrouw woonde hij de laatste jaren van zijn leven met zijn dochter Jansje en kleindochter Maria Imeldina de Jong in boerderij De Hoornse Keet. Op de boerderij naast de molen boerden toen zijn schoonzoon Jan de Jong en zijn vrouw Anna Maria van der Lee die deze bij de boedelscheiding na de dood van Catharina Velzeboer hadden geërfd. Ze hadden tien kinderen. In 1932 werd de boerderij verkocht aan Aldert Jansz Taams.
Aan het begin van de 19e eeuw was de situatie zoals te zien is op de minuutplan van het Kadaster. Aan de Middenweg de bakkerij van de familie Wortel op nummer 208 en op de hoek de herberg annex winkel De Hoornse Keet. Op nummer 204 staat de korenmolen met daarnaast op 205 het huis waarin de molenaarsfamilie woonde.