Jisperweg 11
De Kat zonder Oren

kavel
DK89
verpondingsnummer
285
bouwjaar
1925
wijk
C108
OAT nummer
A251
eerste boerderij
c. 1650
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
De boerderij met de familie Hartog, c. 1907,
Collectie Historisch Genootschap Beemster
Lambert van Tweenhuysen
In 1612 werd de Dijkkavel 89 aan de Jisperweg toebedeeld aan Willem Usselincx. Hij kwam oorspronkelijk uit Antwerpen en vestigde zich in de jaren 1590 als koopman in Amsterdam. In 1602 schafte hij voor ƒ 1200 aan aandelen in de VOC aan. Usselincx was een van de grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster en verkreeg in 1612 411 morgen land. Hij liet direct op verschillende kavels boerderijen bouwen. Het zat hem echter in de handel niet mee, misschien had hij het te druk met andere bezigheden. Usselincx was een man met een missie. Hij zette zich fanatiek in om naar het voorbeeld van de VOC een West-Indische Compagnie op te richten. Vooralsnog zonder resultaat, pas in 1621 werd de WIC opgericht. Intussen was het met Usselincx in financieel opzicht snel bergafwaarts gegaan. In 1617 ging hij failliet. Een jaar eerder besloot het polderbestuur al om zijn landerijen bij executie te laten verkopen, omdat hij grote achterstand had in het betalen van de belastingen. Daarbij werd ook de DK89 verkocht. De nieuwe eigenaar was Lambert van Tweenhuysen.
Willem Usselincx in 1637 (Rijksmuseum)
Lambert van Tweenhuysen (1564-1627) kwam uit een vooraanstaande familie in Zwolle. Hij vertrok naar Amsterdam en trouwde in 1591 met Janneken Camferbeeck die ook was geboren in Zwolle. Beiden waren luthers en Lambert speelde al snel een belangrijke rol in de lutherse gemeente in Amsterdam. Haar vader Hendrick was een aanzienlijk koopman en zijn schoonzoon raakte spoedig bij zijn activiteiten betrokken. Weldra was Lambert van Tweenhuysen een van de prominente Amsterdamse kooplieden in het begin van de 17e eeuw. Hij was zeer veelzijdig en handelde onder andere in zout, graan, hout, wijn, specerijen en bont. Zijn handelscontacten liepen uiteen van de Witte Zee, de Baltische staten, Frankrijk, het Iberisch schiereiland tot de Middellandse Zee en Istanbul. In 1611 begaf hij zich ook in de walvisvaart. Onder de naam Compagnie Van Tweenhuysen stuurde hij een jaar later schepen naar Spitsbergen en naar de door Henry Hudson ontdekte gebieden in Noord-Amerika. Hij behoorde tot de oprichters van de Noordsche Compagnie in 1614 die het monopolie op de walvisvaart in de Noordelijke IJszee verkreeg. In hetzelfde jaar richtte hij de Nieuw-Nederland Compagnie op voor de handel met Noord-Amerika. Onder de vlag van deze compagnie werd de eerste nederzetting, Fort Nassau, gesticht waaruit later New York zou ontstaan. In Haarlem bezat hij een zeepziederij aan het Spaarne in verband met zijn belangen in de traanhandel en even buiten die stad had hij een blekerij. Hij was een van de investeerders in de droogmaking van de Beemster en verwierf in 1612 diverse kavels. Maar toen in 1633 de zoons Lambrecht en Hendrick de nalatenschap van hun ouders verdeelden, waren er nog twee kavels over. Lambrecht kreeg de DK89 en Hendrick de DK92.
Lambrecht van Tweenhuysen was in 1593 geboren als oudste zoon van Lambert en Janneken. Hij zette het handelshuis van zijn vader voort. Hij nam in januari 1635 een hypotheek van ƒ1024 tegen 5% op de kavel land. Er stond toen nog geen huis op. In april 1635 verkocht hij de kavel aan Jan Gerritsz Hartgers.
Jan Gerritsz Hartgers was een doopsgezinde Amsterdamse koopman en reder. Waarschijnlijk was hij de bouwheer van de boerderij op de DK89 die op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644 nog onbebouwd was. Hij zou dan ook de naamgever kunnen zijn, want een ‘kat zonder oren’ is een bepaald scheepstype, ook wel hekboot genoemd. Het was een tamelijk klein schip met een laadvermogen van 576 ton. Door zijn vlakke bodem was het schip zeer geschikt voor ondiepe wateren. Dit scheepstype had geen geschut aan boord en paste daarom goed bij de doopsgezinde overtuiging dat men geen wapens mocht dragen.
Een Hollandse hekboot, ets door Adolf van der Laan
Jan Gerritsz Hartgers kocht in de jaren 1630 meer stukken land in de Beemster. Na zijn dood vererfden die op zijn twee nog in leven zijnde kinderen, Floris en Elisabeth. Floris Jansz Hartgers overleed ongehuwd in januari 1654 en Elisabeth Jans Hartgers had uit haar huwelijk met Steven Olferse geen kinderen, zodat de nakomelingen van hun zuster Aafje die getrouwd was geweest met Willem van Sanen, erfgenamen waren.
Een probleem vormde daarbij nicht Catharina van Sanen die tegen de zin van haar familie was getrouwd met Gijsbert Dommer. Hij kwam uit een vooraanstaande familie die in Amsterdam tot de Alteratie van 1578 ook bestuurlijke functies had bekleed. Maar omdat ze katholiek bleven waren ze daarna uitgesloten van ambten. Gijsberts vader Pieter, koopman en zeepfabrikant, had een belangrijk huwelijk gesloten met de rijke Catharina van Beresteyn uit Enkhuizen. Gijsbert Dommer (1628-1673) was het derde kind. Na zijn opleiding ging hij eerst naar Hamburg en daarna naar Danzig om het vak te leren. Bij zijn terugkeer leerde hij zijn achternicht Catharina van Sanen kennen. Zoals hij zelf in zijn memoires schrijft “begonder soo wat genegentheyt te comen, soo dat wy malkanderen mondeling beloofden”. Maar haar oom Floris en peettante Lijsbet waren mordicus tegen deze verbintenis. Waarom is niet helemaal duidelijk. Was Gijsbert een losbol? Of wilden ze geen katholiek in de familie? In ieder geval liet Floris in zijn testament vastleggen dat Catharina, als ze het huwelijk zou doorzetten, uitgesloten zou zijn van zijn nalatenschap. Gijsbert en Catharina wachtten tot na haar 20e verjaardag en trouwden in juli 1654. Ze kregen twaalf kinderen. Voor Catharina was 23 september 1664 een zwarte dag, want haar vader Willem en twee broers stierven die dag aan de “besmettende zieckte”, waarschijnlijk de pest.
Catharina van Sanen
Gijsbert Dommer was eigenaar van de buitenplaats Den Haring aan de Vecht en hij bezat veel onroerend goed in Amsterdam. Zo had hij de hele hoek van de Herengracht en de Amstel. Daar liet hij door bouwmeester Adriaen Dortsman een groot huis (nu Amstel 216) bouwen in de strakke stijl die na 1660 in zwang kwam. Zoon Pieter legde op 6 mei 1670 de eerste steen.
Intussen was in november 1667 tante Elisabeth Jans Hartgers overleden. Kennelijk had zij zich uiteindelijk verzoend met haar nicht, want in haar testament had zij bepaald dat Catharina van Sanen die weliswaar tegen haar zin met Gijsbert Dommer was getrouwd maar omdat zij nu “met malkanderen in goede Vrede, eerlyck Leeven”, niet zou worden uitgesloten van haar deel in de nalatenschap, maar dat de erfenis belast zou worden met fideï-commis. Dat betekent dat het bezit niet mag worden vervreemd. Toch ontstond er enkele jaren later onenigheid in de familie over de erfenis die ruim 400.000 gulden beliep. Aan de ene kant stonden de kinderen Dommer en aan de andere kant de voogden van de nog minderjarige Catharina Maria Blauw, het enige kind van Maria van Sanen uit haar huwelijk met Willem Blauw. Jarenlange procedures volgden, uiteindelijk kwam de zaak voor de Hoge Raad. Bij de arbitrage werd de kavel land met boerderij aan de Jisperweg toegewezen aan Catharina Maria Blauw en Gerrit Dommer, ieder voor de helft.
Voorgevel Amstel 216 (stadsarchief Amsterdam)
Pieter Dommer (1655-1694) was in 1680 getrouwd met Cornelia Schipper (1663-1743). Zij was een dochter van Jan Jacobsz Schipper, een van de belangrijkste katholieke uitgevers in Amsterdam. Hij bezat een internationaal opererende boekhandel. Het huwelijk van Pieter en Cornelia werd geen succes. Pieter woonde uiteindelijk met zijn twee dochtertjes in Utrecht en Cornelia verbleef met het zoontje in Antwerpen en Brussel. In 1690 vertrok Pieter naar Indië waar hij vier jaar later stierf. Cornelia hertrouwde direct met kapitein-luitenant Jacob Cleyburg. In 1740 verkochten de kinderen Dommer hun helft in drie stukken land in de Beemster, waaronder de DK89, voor 3000 gulden aan hun tante Margaretha, de eigenaresse van de andere helft.
Margaretha Dommer (1668-1748) trouwde vier maal, de laatste keer met Willem van Baarle, advocaat aan het Hof van Utrecht. Pachters in die tijd waren Sijmon de Haas tot 1728 en daarna Sijmon de Wit. Laatstgenoemde werd in september 1734 beboet vanwege de constatering door twee oud-schepenen van de Beemster op verzoek van schout Vermaek “dat op de plaats gehuurd door Symon de Wit, welke plaats genaamd ‘de kat zonder oore’ en gelegen aan den Jisperweg, in twee bomen op de warf voor ’t huys twee vogelnesten waren”. Dat was volgens de keuren van de Beemster verboden. Het ging daarbij met name om “Exsteren, Krayen, Ravens, Kremsvogels, Sperruwers, Kauwen ende andere schadelycke Vogelen” die niet alleen schade toebrachten aan het koren op de velden maar ook in de boomgaarden omdat ze met het maken van hun nesten de takken braken. Bovendien roofden ze de eieren en het “jonk gebroed” van nuttige vogels als hoenders, duiven, kalkoenen en eenden. De boete bedroeg zes gulden per nest. Sijmon Dirksz de Wit overleed in november 1750 en werd begraven in de Schermer. De kinderen van Margaretha Dommer verkochten in een openbare veiling op 24-12-1782 in Hoorn de boerderij met land voor ƒ 13.066 aan Dirk Brasser.
Dirk Brasser († 1785) trouwde in 1773 met Trijntje Aris Bier. Ze kregen zeven kinderen die op één na allemaal in Schermerhorn werden gedoopt. Dat was niet ongebruikelijk, want de meeste families in het noordwestelijke deel van de Beemster gingen in Schermerhorn naar de kerk. Vijf kinderen stierven jong. In 1790 hertrouwde Trijntje met Elbert Olij († 1806), een weduwnaar uit Heerhugowaard. Van Elbert Olij is een kasboekje bewaard gebleven waarin hij zijn jaarlijkse verdiensten van de kaasproductie bijhield. Op zijn boerderij, met de bijbehorende kavels KK34 en AR1 in totaal 33 morgen groot, hield hij gemiddeld 31-32 koeien. In 1796 behaalde hij zo’n goede prijs voor zijn kaas dat hij het aantal koeien uitbreidde tot 36. Maar in 1799 leed hij behoorlijke verliezen als gevolg van de invasie van de Engelsen en Russen. Mogelijk was dat ook de oorzaak dat Elbert en Trijntje in maart 1801 een lening van 2000 gulden tegen een rente van 6% moesten afsluiten. Daarna volgden in 1804 en 1806 nogmaals leningen van ƒ 2000 en ƒ 2200, nu tegen 7,2% rente. Trijntje Aris Bier overleed in mei 1807 en op 30-9-1807 verkochten haar executeurs-testamentair in een openbare veiling boerderij De Kat zonder ooren met kavel grasland voor ƒ 10.424,15 aan Jan Laan. De overige stukken land werden apart verkocht.
Jan Cornelisz Laan († 1810) was geboren in Overleek onder de jurisdictie van Monnickendam. Hij was doopsgezind. Zijn eerste huwelijk met Eefje Gerrits Stam bleef kinderloos. In 1806 hertrouwde hij met Jannetje Willems Beets (1779-1840) die eveneens doopsgezind was. Ze kregen twee kinderen die beiden jong overleden. De weduwe erfde de boerderij. Eind december 1810 hertrouwde Jannetje met Jacob Jonker.
Jacob Jonker (1771-1838) was geboren aan de Jisperweg als zoon van Jacob Jonker en Maartje Brasser, een zus van bovengenoemde Dirk. Hij was in 1796 getrouwd met Aafje Klomp. Van hun vijf kinderen werd slechts één dochter, Sijtje Jonker, volwassen. Samen met Jannetje Beets kreeg hij nog een dochter, Grietje. Bij de Volkstelling van 1830 woonde dochter Sijtje met haar man Jacob Hartog en hun drie jonge dochtertjes op de boerderij van haar vader. Hij was bij de invoering van het Kadaster nog steeds eigenaar. Het huis had een oppervlakte van 540 m² en werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. Na de dood van Jannetje Beets kreeg haar dochter Grietje de boerderij in eigendom.
De minuutplan uit 1813 met links de boomgaard A250 en rechts het huis A251 (Noord-Hollands Archief)]
Grietje Jonker (1812-1872) was in 1831 getrouwd met Cornelis Hartog (1810-1876). Er werden 13 kinderen geboren van wie er slechts twee jong overleden. Cornelis Hartog was een zoon van Jan Hartog, doopsgezind predikant in de Beemster 1794-1840. Cornelis boerde aan de Zuiderweg en was bestuurlijk actief. Hij was gemeenteraadslid en vanaf 1853 burgemeester van de gemeente Beemster. Ook was hij lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Hij was ook hoofdingeland en vanaf 1868 dijkgraaf van het waterschap De Beemster. Daarnaast was hij voorzitter van de afdeling Beemster van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Na zijn dood werd zijn nalatenschap verdeeld, waarbij de oudste zoon Jacob tegen een uitkoopsom van ƒ 55.000 de boerderij aan de Jisperweg verwierf.
Jacob Hartog (1833-1899) woonde al sinds zijn huwelijk in 1856 met Trijntje Schilp (1835-1917) op de boerderij. Daar werden hun negen kinderen geboren. Net als zijn vader was Jacob gemeenteraadslid en hoofdingeland. Jacob had de pech dat hij de boerderij op het hoogtepunt van de gouden jaren in de landbouw, toen de prijzen torenhoog stegen, moest overnemen. Hij moest zich daardoor in de schulden steken en kwam dat niet meer te boven. Hij overleed plotseling, zijn lichaam werd gevonden in de wegsloot langs de Schermerhornerweg. Drie jaar eerder had hij zijn boerderij verkocht voor ƒ 36.000 aan zijn jongere broer Pieter.
Zijn neef Jan Hartog Jbz (1867-1937) werd pachter op De Kat zonder Oren. Met zijn vrouw Maartje Otjes en vijf kinderen verhuisde hij terug naar de Beemster uit Assendelft waar ze enkele jaren hadden gewoond. In de Beemster werd nog een dochter geboren. Moeder Trijntje Schilp woonde bij hen in. Jan Hartog staat in de Landbouwtelling van 1910 vermeld als pachter van 22 ha land. Hij bezat 1 paard, 1 stier, 20 melkkoeien, 6 stuks mestvee, 10 kalveren, 31 schapen en 21 lammeren, 16 varkens en 6 biggen, 20 kippen en 6 kuikens.
Pieter Hartog (1844-1922) woonde aan de Rijperweg. Uit zijn huwelijk met Trijntje Otjes (1843-1898) werd één zoon geboren. Hij ging na zijn huwelijk boeren aan de Jisperweg, maar kreeg deze pas bij de scheiding van de nalatenschap van zijn vader in eigendom.
Cornelis Pieter Hartog (1877-1961) trouwde in 1901 met Jantje Laan (1876-1939). Ze kregen drie dochters. Cornelis Pieter bleef niet lang aan de Jisperweg, want hij nam in 1908 de boerderij van zijn vader aan de Rijperweg over.
Jan Hartog
Maartje Otjes
In mei 1925 kwam Pieter Koeman (1902-1974) als nieuwe pachter op de boerderij. Hij was kort daarvoor getrouwd met Trijntje Hartog (1903-1975), de oudste dochter van eigenaar Cornelis Pieter. Deze was ook de opdrachtgever van de verbouwing van de woning in de boerderij die in 1925 plaatsvond. In 1934 werd een schuur bijgebouwd. Bij de Landbouwtelling van 1930 bleek Pieter Koeman 23 melkkoeien, 1 mestkoe, 13 kalveren, 12 schapen en 30 lammeren, 2 fokzeugen, 1 varken en 12 kippen te bezitten.
Pas na de dood van haar vader kreeg Trijntje Hartog de boerderij in eigendom. Daarna werden haar drie kinderen, Paulus, Janny en Corry, gezamenlijk eigenaar. Maar in 1976 vond een nadere scheiding van de nalatenschap van hun moeder plaats, waarbij Paul Koeman (1927-2011) en zijn vrouw Loes Mus alleen eigenaar werden. Ze woonden er al eerder, zo blijkt uit enkele bouwaanvragen voor schuren en loodsen. Paul Koeman was zeer geïnteresseerd in de geschiedenis van de Beemster. Hij was actief als bestuurslid van het Historisch Genootschap Beemster en was een van de drijvende krachten achter het ontstaan van het Agrarisch Museum. Daarvoor kreeg hij in 2004 een koninklijke onderscheiding.