Jisperweg 127
Hoop en Vlijt

kavel
BK43
verpondingsnummer
315
bouwjaar
voor 1832
wijk
B44
OAT nummer
G16
eerste boerderij
voor 1644
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
Schilderij van de boerderij (Collectie Historisch Genootschap Beemster)
De boerderij in 1644
Bij de verloting van de gronden van de drooggemaakte Beemster op het Slot te Purmerend op 30 juli 1612 werd de Binnenkavel 43 aan de oostzijde van de Jisperweg toebedeeld aan Jacques de Velaer. Hij verkreeg in totaal 86 morgen land. Jacques de Velaer († 1613) was een Antwerpse koopman die nadat deze stad in 1585 in handen van de Spanjaarden viel, naar de noordelijke Nederlanden vluchtte. Hij vestigde zich als koopman en reder in Amsterdam. Hij dreef onder meer handel op de kust van Guinea en speelde een belangrijke rol bij de vaart op Zuid-Amerika. In 1599 behoorde hij tot de oprichters van de Brabantsche Compagnie, een van de voorcompagnieën van de VOC. De oprichters waren vrijwel allemaal uit de zuidelijke Nederlanden afkomstig en werden “Brabanders” genoemd. In 1602 behoorde hij met een inleg van ƒ 57.000 tot de grootste participanten in de kamer Amsterdam van de VOC. Derhalve werd hij bewindhebber. Vlak voor zijn dood legde hij nog ƒ 91.000 in bij een verzekeringscontract dat de VOC afsloot.
In 1627 werd de BK43 overgeboekt op naam van zijn zoon Jean de Velaer († 1648). Uit de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode blijkt dat in 1644 al een boerderij op deze kavel stond. Omdat Jean zonder directe nakomelingen overleed, werd de kavel land met huis, ten behoeve van de nalatenschapbelasting, getaxeerd op ƒ 17.200. Broer Abraham de Velaer († 1651) erfde de kavel. Hij was in 1632 getrouwd met Agatha Maelson († 1682), dochter van Pieter Jacobsz Maelson, raad en burgemeester van Enkhuizen. Agatha bezat brouwerij De Drie Cronen aan de Noorderhavendijk in Enkhuizen. Abraham verhuisde naar Enkhuizen en zat er vijf maal in de schepenbank. Agatha Maelson verkocht in 1652 de boerderij met land aan de-Jisperweg voor ƒ 24.500 aan Cornelis Sweers de jonge uit Hoorn die enkele jaren eerder al een stukje verderop aan de Jisperweg een boerderij had gekocht.
Cornelis Sweers († 1652) was een kleinzoon van Hans Sweers, koopman te Hoorn en bewindhebber van de VOC aldaar. In 1626 werd Hans muntmeester van de Westfriese Munt in Enkuizen. Hij was een van de investeerders in de droogmaking van de Beemster. Zijn andere grootvader, Jan Martsz Merens, investeerde eveneens in zowel de VOC als in de droogmaking van de Beemster. Cornelis trouwde in 1652 met Agatha van Neck (1634-1707), een dochter van de Hoornse regent mr. Jan van Neck. Hij overleed korte tijd later en Agatha hertrouwde met mr. Meijndert Sonck. Zijn halfzusters Alida en Ludewina Teding van Berkhout werden eigenaar van de boerderij in de Beemster. Alida Teding van Berkhout (1631-1653) stierf een jaar na haar huwelijk met Gerrit Schagen, raad en burgemeester van Hoorn, in het kraambed. Ludewina Teding van Berkhout (1641-1670) werd de echtgenote van Gerrit Clock de jonge die van 1671-1674 lid van de Hoornse vroedschap was. Omdat Ludewina kinderloos overleed, werd haar helft in de kavel eveneens getaxeerd. De waarde bedroeg ƒ 850 per morgen. De dochters van broer Adriaan Teding van Berkhout, schepen van Hoorn, erfden de boerderij. Zij heetten ook Alida en Ludewina. Alida († 1704) was getrouwd met Nicolaas Wijntges en Ludewina († 1695) met Outger Groot. Beide heren waren schepen van Hoorn. Ze lieten de kavel op hun naam overboeken en verkochten deze in 1692 aan Baltina Coymans.
Baltina Coymans (1642-1709) was een dochter van de schatrijke Amsterdamse koopman Balthasar Coymans en Maria Trip. Zij trouwde in 1662 met Jean Bernard (1634-1682). Beiden kwamen uit van oorsprong Vlaamse koopmansfamilies. Het paar woonde eerst op de Keizersgracht “In de Wallevis” (nu 107) en later op de Herengracht. Jean Bernard kocht kort voor zijn dood voor bijna 25.000 gulden de buitenplaats Westerhout bij Velsen die door zijn schoonvader was aangelegd. Van hun zeven kinderen werden er zes volwassen. Baltina gaf de boerderij aan de Jisperweg aan zoon Daniel Jean ter gelegenheid van zijn huwelijk.
Mr. Daniel Jean Bernard (1668-1736), heer van Kattenbroek, was directeur van het handelshuis dat hij samen met zijn broer Zacharias bezat. Hij was in 1694 schepen van Amsterdam, diverse malen hoogheemraad en sedert 1719 hoofdingeland van de Beemster. In 1695 trouwde hij met Maria Six (1669-1709). Zijn tweede vrouw was de weduwe Catharina Noppen. Hoewel de boerderij in de Beemster al sinds 1695 op zijn naam stond werd bij de verdeling van de nalatenschap van zijn ouders aan zijn zuster Catharina Jacoba toebedeeld.
Catharina Jacoba Bernard (1669-1715) was de derde echtgenote van Gillis van Hemert (1650-1702), koopman en bewindhebber van de VOC te Amsterdam. Zijn tweede vrouw was een dochter van Mr. Willem Sautijn die boerderij Jacatra aan de Rijperweg bezat. Catharina Jacoba Bernard hertrouwde ds. Petrus de Bije, predikant te Muiderberg. Hij verdeelde met zijn stiefdochters Baltina en Sara Maria van Hemert in 1717 de nalatenschap van hun moeder waarbij laatstgenoemde de boerderij erfde. Bij de afrekening door de voogden die de nalatenschap tijdens haar minderjarigheid beheerden, werd de kavel getaxeerd op ƒ 400 per morgen.
Keizersgracht 107 met een walvis in de kroonlijst (tekening Caspar Philips)
Sara Maria van Hemert (1702-1734) trad in 1726 in het huwelijk met Mr. Pieter Graafland (1695-1760). Hij was aanvankelijk advocaat in Amsterdam maar werd in 1725 raadsheer in het Hof van Holland en verhuisde naar Den Haag. Hij liet in april 1734, twee maanden voor de dood van zijn vrouw, de kavel op zijn naam overboeken en verkocht deze op dezelfde dag voor ƒ 10.000 aan Pieter Pergerrits uit Purmerend.
Pieter Pergerrits (1707-1757) was koopman en hij bezat een brouwerij en een jeneverstokerij. Hij werd tweemaal schepen van Purmerend. Hij was getrouwd met de rijke Anna de Lange uit De Rijp. Pergerrits werd in 1742 aangeslagen als de rijkste man van Purmerend. Zijn rijkdom was echter gebaseerd op lucht. Pergerrits sjoemelde met rekeningen en gaf ongedekte schuldbrieven uit. Uiteindelijk viel het kaartenhuis in duigen en oplichter Pergerrits nam in 1746 de benen. Er werden curatoren aangesteld die de boedel moesten beredderen, zodat vrouw en kinderen niet straatarm achterbleven. Het schandaal gaf in die tijd zoveel ophef dat er nog in 1746 een prozawerkje over verscheen met de titel “De vlugtende Banqueroutier”. Overigens dook Pergerrits onder de naam Pieter van Bergen op in Denemarken waar hij in 1749 een heerlijkheid kocht en in 1752 in de adelstand werd verheven. Pieter Pergerrits verkocht de boerderij aan de Jisperweg vrijwel onmiddellijk na de aanschaf door aan Jan Gerritsz Schaar uit de Beemster. Hij betaalde er ƒ 11.200 voor, een snelle winst voor Pieter.
Jan Gerritsz Schaar († 1757) was geboren aan de Middenweg waar zijn vader een broodbakkerij, naast de korenmolen, had. De familie was katholiek. Jan sloot in 1742 een hypotheek van ƒ 500 tegen 4% rente op zijn boerderij af. Uit zijn huwelijk met Catharina Poulus Schenker († 1734) werd één zoon volwassen die het boerenbedrijf overnam.
Gerrit Jansz Schaar († 1796) trouwde in 1757 met Maartje Pieters Oudejans. Hij hertrouwde een jaar na haar dood in 1784 met Antje Jans Keijser uit Edam. Hij woonde toen in een van zijn moeder geërfde boerderij aan de Middenweg in Noordbeemster want in 1775 had hij zijn boerderij aan de Jisperweg voor ƒ 12.300 verkocht aan zijn zwager Cornelis Pietersz Oudejans.
Cornelis Pietersz Oudejans († 1796) had enkele jaren eerder al een boerderij aan de Zuiddijk bij de Wormerweg gekocht. Uit zijn huwelijk met Antje Pieters de Wit († 1803) werden zeven kinderen geboren. Cornelis raakte kennelijk in financiële moeilijkheden, want tussen 1791 en 1795 sloot hij vier maal hypotheken, voor in totaal ƒ 6700, af op zijn beide boerderijen met land. In februari 1796 verkocht hij de boerderij aan de Jisperweg voor ƒ 16.000 aan Pieter van Baar. Cornelis stierf enkele maanden later in De Rijp. Antje trok na het huwelijk van dochter Jannetje met Dirk Gerritsz Koster bij hen in en overleed daar.
Pieter Jacobsz van Baar (1751-1829) was getrouwd met Maritje Dirks Schinkel (1751-1810), maar het huwelijk bleef kinderloos. Hij betaalde ƒ 11.000 van de koopsom contant en de rest op kusting. Ook hij moest tot drie keer toe een hypotheek afsluiten. Uiteindelijk verkocht hij in 1804 de boerderij aan Jan Pietersz Oudejans voor ƒ 11.000 waarbij deze de twee hypotheken van 2300 en 1500 gulden overnam.
Jan Pietersz Oudejans (1773-1825) trouwde in 1799 met Neeltje Jacobs van Baar (1779-1845). Van hun acht kinderen stierf alleen het oudste zoontje als baby, de anderen werden volwassen. Na de dood van haar man erfde Neeltje de boerderij. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was zij nog steeds de eigenaar. Het huis met erf had een oppervlakte van 244 m2 en werd getaxeerd in klasse 5 met een geschatte huurwaarde van ƒ 57.
De minuutplan uit 1813 (Noord-Hollands Archief)
Neeltje woonde er met vijf kinderen, een werkman en een dienstbode, zo blijkt uit de Volkstelling van 1830. Zoon Pieter Oudejans (1809-1889) leidde het boerenbedrijf. Bij de boedelscheiding na het overlijden van Neeltje kreeg jongste zoon Jan de boerderij tegen een getaxeerde waarde van ƒ 14.000 in eigendom.
Jan Jansz Oudejans (1815-1900) bezat volgens de Landbouwtelling van 1854 20 koeien, 3 kalveren en 90 schapen. Hij trouwde pas in 1857 op 41-jarige leeftijd met Maria Sophia Meijer (1821-1857). Ze was geboren in Mettingen in Pruisen. Haar broer was tapper aan de Jisperweg. Zij stierf enkele dagen na de geboorte van hun enige dochter, Cornelia Sophia. Jan Oudejans woonde zijn hele lange leven op de boerderij. Na zijn overlijden werden zijn wagens en meubilair verkocht. Hij bleek onder andere een mahoniehouten kabinet en een piano met dito kast te bezitten. Dochter Cornelia Sophia erfde in 1900 de boerderij.
Cornelia Sophia Oudejans (1857-1918) trouwde in 1880 met Andries Mulder (1853-1926). Hij bezat veel landerijen in de Beemster. Zelf was hij veehouder aan de Volgerweg tot hij in 1905 verhuisde naar Bussum. Later woonde hij in Heemstede en in Bloemendaal. Het paar kreeg tien kinderen. In 1917 kreeg Andries Mulder een bouwvergunning voor de bouw van een wagenschuur op het terrein. Drie jaar later werd de boerderij en woning verbouwd en werd op de zolder van de boerderij een slaapkamer gemaakt. Bij de Landbouwtelling van 1910 was Bernardus Alles de pachtboer. Hij had toen 2 paarden, 13 melkkoeien, 2 mestkalveren, 7 kalveren, 23 schapen en 20 lammeren, 2 varkens, 10 kippen en 11 kuikens. Bernardus Alles (1844-1924) was in 1878 getrouwd met Hendrika Pruim (1839-1920) uit Graft. Zijn beroep was op dat moment vrachtrijder en zij was dienstbode. Hun drie kinderen werden aan de Westdijk geboren. Later werd hij veehouder aan de Jisperweg. Nadat hun enige zoon Johannes Alles in 1911 was getrouwd met Diena Hersbach, vertrokken Bernardus en Hendrika naar het dorp Westbeemster en werd Johannes de pachter. Hij kreeg met Diena zes dochters en vier zoons. In 1919 liep zijn pacht af en verkocht hij zijn vee, waarbij speciaal wordt vermeld dat ze geheel hersteld waren van de tongblaar, wagens en gereedschap. Ze woonden vervolgens zeven jaar aan de Mijzerweg en vertrokken in 1926 naar Amsterdam. Van 1919 tot 1924 was Gerardus Weel pachter op de boerderij aan de Jisperweg. Hij kwam uit Berkhout en trouwde in 1904 met Trijntje de Boer uit Oudorp. Ze woonden na hun huwelijk in Heerhugowaard waar hun oudste zeven kinderen werden geboren, in de Beemster kwamen er nog drie bij.
Op 31 januari 1922 liet Andries Mulder in een openbare veiling in De Doele te Purmerend de “kapitalen Boerderij met Veestalling en Paardenstal, Schuur, Erf, Boomgaard en zeer vruchtbaar Weiland” verkopen, waarvan de landerijen verhuurd zijn aan G. Weel tot Kerstmis 1923 en de gebouwen tot 1 mei 1924. Koper werd Jacob Klaver voor ƒ 58.880. Gerardus Weel liet vlak voordat zijn huur verliep al zijn vee, wagens, gereedschappen waaronder een “volledige Kaasmakers-Inventaris” en huisraad verkopen. Opvallend in de opsomming is “het allom bekende Concourspaard “Corrie”, zijnde 7-jarige vos”. Hij vertrok daarna met zijn gezin naar Amsterdam.
Jacob Klaver (1862-1932) was een zoon van Jan Klaver en Neeltje Bouman, een dochter van de bekende Beemster landbouwer en geschiedschrijver Jacobus Bouman. Uit zijn huwelijk met Antje Kwadijk (1861-1941) werden twee zoons geboren. Jacob was veehouder en veehandelaar en woonde met zijn gezin achtereenvolgens aan de Hobrederweg, de Zuiderweg, de Volgerweg, de Purmerenderweg tot ze uiteindelijk aan de Jisperweg terechtkwamen. Volgens de Landbouwtelling van 1930 bestond zijn veestapel uit 1 paard, 1 stier, 16 melkkoeien, 2 mestkoeien, 10 kalveren, 35 schapen en 37 lammeren, 2 fokzeugen en 16 biggen, 24 varkens, 30 kippen en 16 kuikens. In oktober 1930 maakt de krant melding van een ongeval van veehouder Klaver met zijn paard en wagen. Op de Middenweg sloeg het paard op hol. Klaver wist bijtijds het rijtuig te verlaten en bleef ongedeerd. Het paard kon echter pas bij de Hobrederweg worden gegrepen en had verwondingen aan alle vier benen. Bij de scheiding van zijn nalatenschap in 1933 erfde oudste zoon Jan de boerderij.
Jan Klaver (1885-1972) trouwde in 1911 met Aagje Noome (1886-1969) die aan de Hobrederweg was geboren. Ze kregen drie kinderen. Hij liet in 1938 een schuur bijbouwen. Van Jan Klaver is een kasboek over de periode 1911-1941 bewaard gebleven, waarin hij de jaarlijkse verdiensten noteerde. Duidelijk blijkt dat de crisisjaren 1932-1936 desastreus waren voor de veehouderij. Jan’s koeien leverden 27% meer melk dan in de jaren 20 maar de verdiensten lagen ruim 40% lager. Hij probeerde wat bij te verdienen met het mesten van varkens, hoewel de opbrengsten van de varkensfokkerij erg wisselvallig waren.
In 1953 verkocht hij de boerderij aan zijn oudste zoon Jacob Klaver (1912-1965). Hij trouwde in 1938 met Eegje Spaans (1910-2001) en woonde eerst aan de Wormerweg. Hij verkreeg in 1953 een bouwvergunning voor het verbouwen van een stalmuur en de keuken. In 1957 kwam er nog een schuur bij. Zijn weduwe erfde de boerderij. Zoon Jan Cees Klaver en zijn vrouw Adrienne Schoo zetten het boerenbedrijf voort. Na beëindiging hiervan was Jan Klaver van 2006 tot 2014 wethouder voor de VVD. Adrienne geniet bekendheid vanwege het fokken van het hondenras Kuvasz Magasztos.
De kinderen Klaver voor de boerderij (Collectie Historisch Genootschap Beemster)