Jisperweg 133

kavel
BK19
verpondingsnummer
320
bouwjaar
onb. (voor 1832)
wijk
B27
OAT nummer
F434
eerste boerderij
voor 1644
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
De minuutplan uit 1813 (Noord-Hollands Archief)
Ongedateerde foto uit de Collectie Historisch Genootschap Beemster
Bij de verdeling van de gronden van de zojuist drooggevallen Beemster op 30 juli 1612 in het Slot te Purmerend werd de Binnenkavel 19 aan de Jisperweg ten zuiden van de Draaioordersloot verloot aan Abraham Boom (1575-1642). Hij was sinds de dood in 1609 van zijn vader Pieter Boom, een van de oorspronkelijke bedijkers, hoofdingeland van de Beemster. In Amsterdam was hij lid van de vroedschap en burgemeester. Abraham Boom was een van de grote investeerders, hij verwierf in totaal 245 morgen grond in de Beemster.
Abraham Boom (fragment van een schilderij van Thomas de Keyser, 1638; foto Amsterdams Museum)
De boerderij in 1644
Grafzerk van Arnoldus Abeleven in de Nieuwe Kerk te Amsterdam (Stadsarchief Amsterdam)
In 1615 werd de kavel overgeboekt op naam van zijn zuster Margrieta Boom (1572-1650) en haar kinderen. Margrieta was in 1595 getrouwd met Andries Claesz Abeleven, koopman op de Nieuwezijds Voorburgwal “in ‘t Ossenhooft”. Uit de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644 blijkt dat er toen al een boerderij op de kavel was gebouwd.
Na de dood van Margrieta Boom vererfde de boerderij op haar zoon Nicolaes Abeleven (1596-1653), predikant te Benthuizen bij Leiden en later in Muiden. Zijn weduwe, Jannetje Jans Koeckebacker (1609-1665), liet in 1664 de drie door haar man van zijn moeder geërfde kavels, waaronder BK19 en het buitentje Kerkzicht [link] op haar naam overboeken. Een half jaar later werd na haar dood het grondbezit getaxeerd, waaronder de “huijsinge met plantagie en land” aan de Jisperweg die werd geschat op ƒ 23.879,50. In 1674 verdeelden de vier nog in leven zijnde kinderen van Jannetje haar nalatenschap die een totale waarde had van ruim 127.000 gulden. De jongste dochter Eva kreeg de boerderij aan de Jisperweg.
Eva Abeleven (1645-1708) trouwde in 1675 met Nicolaas Wijtmans (1649-1720). Hij was lid van de vroedschap van Gorinchem sinds 1687 en vertegenwoordigde zijn stad van 1705-1708 in de Admiraliteit op de Maze. Hij was eigenaar van een steenbakkerij. Bij testament liet Eva haar bezittingen na aan haar man. In 1709 nam Nicolaas Wijtmans een hypotheek van ƒ 2000 tegen een rente van 4% op de boerderij met de kavel land aan de Jisperweg. Zijn enige dochter Johanna Wijtmans, weduwe van Hendrik van Oort († 1714) die in Gorinchem een houtzaagmolen bezat, liet na haar dood de boerderij na aan de weduwe van haar neef Nicolaas.
Anna Catharina Magenius (1681-1746) was een dochter van een Amsterdamse wijnkoopman. Zij was in 1708 getrouwd met Nicolaas Abeleven (1683-1740). Hij was koopman en woonde op de Herengracht in Amsterdam. Hij kocht in 1738 van de erfgenamen van zijn zwager Pieter Magenius een haringpakkerij genaamd “De Witte Voet” aan de Prins Hendrikkade. Negen jaar na hun moeders dood lieten haar twee zoons de boerderij op hun beider naam overboeken. Enkele maanden later verkocht Jan Arent Abeleven (1715-1781) zijn helft voor ƒ 3000 aan zijn broer Arnoldus.
Arnoldus Abeleven (1726-1777) woonde op de Keizersgracht in Amsterdam. Hij was boekhouder van de kamer Amsterdam van de VOC. Nadat hij al in 1750 en in 1755 heemraad van de Beemster was geweest, werd hij in 1756 tot hoofdingeland verkozen. Zijn vrouw Anna de Bruyn (1719-1796), dochter van een handelaar in verfstoffen, erfde de boerderij aan de Jisperweg. Na haar dood werd deze in een openbare veiling in Amsterdam verkocht aan Aris Graftdijk voor ƒ 10.200. Op dat moment was Anthonie Schering (1750-1844) de pachtboer. Hij was geboren in Pruisminden in Duitsland. Zoals veel ‘poepen’ kwam hij naar Holland om te werken. Meestal verrichtten zij seizoenarbeid, maar sommigen vestigden zich er definitief. Zo ook Anthonie Schering die in 1789 in Alkmaar trouwde met Hilletje de Vries (1764-1838). Zij kwam uit de Beemster, haar vader was molenaar in de Draaioorder molengang. Anthonie bleef pachter tot hij in 1813 een eigen boerderij aan de Westdijk verwierf.
Aris Dirksz Graftdijk (1736-1821) was geboren in West-Graftdijk. De familie bezat een houtzaagmolen aan de Schermerringdijk. Uit zijn huwelijk met Neeltje Adriaens Braak († 1780) werden 11 kinderen geboren. Aris Graftdijk kocht vijf jaar later ook de naastgelegen boerderij op BK18 en bezat nog meer landerijen in de Beemster. Bij de scheiding van zijn nalatenschap waren er nog drie kinderen in leven. Dochter Neeltje kreeg onder meer de BK19.
Neeltje Graftdijk (1771-1829) was getrouwd met Petrus Plancius van Eijken, predikant in Zuid-Scharwoude. Hij was geboren in Enkhuizen als zoon van Willem van Eijken en Sijtje van der Hart, een schoonzuster van de Enkhuizer burgemeester Cornelis François Duyvensz die in de Beemster een buitenplaats bezat. Vanaf 1826 tot hij in 1838 bedankte, was Petrus van Eijken hoofdingeland van de Beemster. Hij trok daarna in bij zijn dochter en schoonzoon aan de Peperstraat in Purmerend waar hij later overleed. Op 30 november 1824 besloot Neeltjes broer Adriaan de door hem geërfde Binnenkavel 13 aan de Volgerweg te ruilen met haar Binnenkavel 19.
Adriaan Graftdijk (1765-1826) was ook houtkoopman te West-Graftdijk. Hij trouwde eerst met Neeltje Dirks Zijpheer. Van hun vier kinderen bleef alleen dochter Trijntje in leven. Adriaan hertrouwde met Sijtje Isaacs Smit (1774-1812) en kreeg met haar drie zoons. Sijtje stierf in het kraambed na de geboorte van de jongste zoon. Vier jaar later trouwde Adriaan voor de derde maal, nu met Catharina de Bree, zijn 40-jarige huishoudster. Na zijn dood kreeg zijn nog minderjarige zoon Izaak de boerderij aan de Jisperweg tegen het getaxeerde bedrag van 13.000 gulden.
Izaak Graftdijk (1806-1868) trouwde in 1828 met Guurtje Lakeman (1806-1864). Ze kregen zeven kinderen. Volgens de Volkstelling van 1830 woonde Izaak met zijn vrouw en pasgeboren zoontje op de boerderij. Er woonden twee werkmannen en een dienstbode bij hen in. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was Izaak Graftdijk de eigenaar van een huis met schuur en erf ter grootte van 230 m² dat werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van 45 gulden.
In 1854 boerde Izaak nog steeds aan de Jisperweg. Volgens de in dat jaar gehouden Landbouwtelling bezat hij 1 stier, 18 koeien en 3 kalveren, 23 schapen en 1 geit. Begin april 1868 werd in zijn sterfhuis aan de Jisperweg zijn veestapel en inboedel bij opbod verkocht. Het betrof 23 stuks hoornvee , drie paarden, een drachtige zeug en een zeug met 11 biggen en twee varkens. De kavel werd verdeeld waarbij zoon Aris 10 morgen land kreeg met een getaxeerde waarde van ƒ 25.000. Daarop bouwde hij een boerderij die in 1906 alweer werd gesloopt. De oude boerderij met 10 morgen land ging tegen een getaxeerde waarde van 27.000 gulden naar dochter Sijtje en haar man.
Op de herziene plan uit 1880 is rechts de nieuwe boerderij zichtbaar (Noord-Hollands Archief)
Sijtje Graftdijk (1838-1910) trouwde in april 1868 met Pieter Beets (1834-1909) uit een doopsgezinde familie. Uit het huwelijk werden drie dochters, van wie er één jong stierf, geboren die Nederlands hervormd werden gedoopt en een zoon Cornelis die net als zijn vader Jan doopsgezind was. Op 18 december 1885 werd de “kapitale Huismanswoning met Schuur, Erf, Boomgaard en drie percelen uitmuntend vruchtbaar Weiland” publiek verkocht in het Heerenhuis te Middenbeemster. Vijf dagen later werd op de boerderij de veestapel, hooi en boerengereedschappen om contant geld verkocht. Pieter en Sijtje vertrokken naar de Oostdijk. Ze verhuisden in 1901 naar Oosthuizen.

Frederik Schoenmaker (1829-1909) werd voor een bedrag van ƒ 24.618 de nieuwe eigenaar. Hij was oorspronkelijk afkomstig uit Nibbixwoud. In 1853 was hij getrouwd met Geertje Bakker (1825-1896). Hij was eigenaar van verschillende landerijen in de Beemster, onder andere boerderij De Lepelaar aan de Middenweg en de naastgelegen boerderij Landlust die hij in 1889 kocht. Hij was dan ook hoofdingeland van het Waterschap De Beemster. Zijn zoon Klaas Schoenmaker (1861-1915) werd na zijn huwelijk met Aaltje Prins uit Graft in 1887 pachter op de boerderij aan de Jisperweg. Hun drie zoons kwamen er ter wereld. Na het overlijden van zijn vader kocht Klaas Schoenmaker uit de nalatenschap boerderij De Lepelaar en verhuisde daarheen. De boerderij aan de Jisperweg werd voor ƒ 46.475 verkocht aan Pieter Klaasz Visser.
Na het vertrek van Klaas Schoenmaker werd Pieter Uitentuis de pachtboer. Hij kwam uit Ilpendam. Na zijn huwelijk in 1901 met Neeltje Bakker, geboren aan de Westdijk als dochter van Willem Bakker en Belitje de Goede, woonden ze eerst enkele jaren in de Schermer. In 1911 vertrok Pieter met vrouw en kinderen naar zijn geboortedorp. Een jaar eerder bleek hij volgens de Landbouwtelling 1 stier, 16 melkkoeien en 1 mestkoe, 11 kalveren, 11 schapen en 31 lammeren, 1 geit, 20 kippen en 15 kuikens te bezitten.

Pieter Visser (1862-1926) was geboren in Oosthuizen. Na zijn huwelijk in 1886 met Eegje Lakeman van de Wormerweg woonde hij eerst een jaar in Oudorp waar hun oudste zoon werd geboren. In 1887 betrokken ze een boerderij aan de Oosthuizerweg en kregen daar nog twee kinderen. Negen jaar later verhuisde het gezin naar de Oosterweg in de Purmer. Pieter en Eegje gingen in 1917 met hun dochter Klazina aan de Herengracht in Purmerend wonen. Oudste zoon Klaas Visser was van 1911 tot eind 1915 pachtboer op de boerderij aan de Jisperweg. Zijn broer Lourens boerde er van 1918 tot 1921 waarna hij vertrok naar de Purmer. Vervolgens kwam Tiede Kreb als pachter op de boerderij. Hij was in 1894 geboren in de Schermer en trouwde in 1918 met Trijntje Beunder uit de Beemster. Ze kregen twee zoons. In 1926 vertrok Tiede met zijn gezin naar Heerhugowaard en werd hij brandstoffenhandelaar.

Een jaar later werd Klaas Bol de pachtboer. Hij was in 1905 getrouwd met Neeltje van Vuure (1880-1937) die was geboren aan de Purmerenderweg in de Beemster. Bij de Landbouwtelling van 1930 had Klaas Bol 1 stier, 17 melkkoeien, 11 kalveren, 11 schapen en 14 lammeren, 2 fokzeugen en 10 biggen. Toen hij in april 1941 een boelhuis liet houden bezat hij nog grotendeels dezelfde veestapel. Ook werden diverse wagens, karren, een brandkast en huisraad verkocht.
Tjebbe Talsma (1912-2005) was geboren in Assendelft als zoon van een huisarts. De familie kwam oorspronkelijk uit Friesland. Zijn echtgenote, Beitsche Dijkstra († 1997), was ook afkomstig uit Friesland, zij was geboren in Huizum. Zij was werkzaam als onderwijzeres. Direct nadat hij de boerderij had verworven, diende Tjebbe een aanvraag in voor een verbouwing van de boerderij. Op de tekeningen is te zien dat de indeling nog origineel was. Er zijn toen ook diverse foto’s gemaakt. Het plan is ten dele uitgevoerd. In 1953 vond opnieuw een grote verbouwing plaats, vooral van het agrarische gedeelte. Tjebbe had aanvankelijk een gemengd bedrijf met ook melkkoeien, maar schakelde al snel meer en meer over op akkerbouw. Ook bloembollen werden er geteeld. Begin jaren ‘70 begon hij een minicamping. Nadat in 1988 de landerijen waren verkocht, bleef alleen de camping over. Na de dood van zijn vrouw in 1997 verhuisde Tjebbe naar Middenbeemster en betrok zijn zoon de boerderij. Egbert Talsma heeft sinds 2005 de boerderij in eigendom.
Tjebbe Talsma
Bijzonder aan deze boerderij is de afgeknotte kap. Waarschijnlijk is dit ontstaan door schade als gevolg van een zeer zware storm in de 19e eeuw waardoor de kap instortte.