Jisperweg 134
Landlust

kavel
BK18
verpondingsnummer
321
bouwjaar
2013
wijk
B38
OAT nummer
F433
eerste boerderij
1636-1644
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
De minuutplan uit 1813 (Noord-Hollands Archief)
Ongedateerde foto uit de Collectie Historisch Genootschap Beemster
Bij de verloting van de gronden in 1612 werd de Binnenkavel 18 aan de Jisperweg toebedeeld aan Willem Usselincx. Hij kwam oorspronkelijk uit Antwerpen en vestigde zich in de jaren 1590 als koopman in Amsterdam. In 1602 schafte hij voor ƒ 1200 aan aandelen in de VOC aan. Usselincx was een van de grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster en verkreeg in 1612 411 morgen land. Hij liet direct op verschillende kavels boerderijen bouwen. Het zat hem echter in de handel niet mee, misschien had hij het te druk met andere bezigheden. Usselincx was een man met een missie. Hij zette zich fanatiek in om naar het voorbeeld van de VOC een West-Indische Compagnie op te richten. Vooralsnog zonder resultaat, pas in 1621 werd de WIC opgericht. Intussen was het met Usselincx in financieel opzicht snel bergafwaarts gegaan. In 1617 ging hij failliet. Een jaar eerder besloot het polderbestuur al om zijn landerijen bij executie te laten verkopen, omdat hij grote achterstand had in het betalen van de belastingen. Daarbij werd ook de BK18 verkocht.
Willem Usselincx in 1637 (Rijksmuseum)
De nieuwe eigenaar was Pieter van der Straten, een Haarlemse koopman. Hij kocht toen ook de tegenoverliggende Binnenkavel 36. In 1635 werden de Beemster landerijen nagelaten door Sara de Haen, weduwe van Pieter van der Straten, getaxeerd waarbij de BK18 werd geschat op ƒ 850 per morgen, dus ƒ 17.000 in totaal. Een jaar later werd haar nalatenschap verdeeld en kreeg haar broer Jan de Haen, koopman te Amsterdam, deze kavel in bezit. Er is in deze transporten nog geen sprake van bebouwing, maar op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644 staat een huis afgebeeld. In 1649 verkochten de erfgenamen van Jan de Haen de BK18 aan Cornelis Sweers.
De bebouwing in 1644
Cornelis Sweers was een kleinzoon van Hans Sweers, koopman te Hoorn en bewindhebber van de VOC aldaar. In 1626 werd Hans muntmeester van de Westfriese Munt in Enkuizen. Hij was een van de investeerders in de droogmaking van de Beemster. Cornelis trouwde in 1652 met Agatha van Neck (1634-1707), een dochter van de Hoornse regent mr. Jan van Neck. Hij overleed korte tijd later en Agatha hertrouwde met mr. Meijndert Sonck. Zijn nichtje Maria Sweers werd eigenaar van de boerderij in de Beemster.
Jacob van Foreest (Stedelijk Museum Alkmaar)
Maria Sweers (Stedelijk Museum Alkmaar)
Maria Sweers (1649-1720) was de enige dochter van Joan Sweers die meer kavels in de Beemster bezat. Aan de Westdijk liet hij een buitenplaats bouwen. Hij was getrouwd met Antonetta Merens, een dochter van Jan Martsz Merens die eveneens geld had gestoken in de droogmaking. Maria Sweers trouwde met mr. Jacob van Foreest (1640-1708), vroedschap en burgemeester van Hoorn. Hij was secretaris van Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier en bewindhebber van de VOC kamer Hoorn. In 1673 werd hij hoofdingeland van de Beemster. Hij bekleedde deze functie ook in de Purmer, de Schermer en de Heerhugowaard. Bij de verdeling van de nalatenschap van Jacob en Maria kreeg hun zoon Nanning onder meer de boerderij aan de Jisperweg met ruim 30 morgen land, de Binnenkavel 18 en de westelijke helft van de Binnenkavel 13.
Mr. Nanning van Foreest (1682-1745) was de tweede zoon van Jacob van Foreest. Na de dood van zijn oudere broer Dirk kwam hij in de vroedschap van Hoorn. Hij werd tienmaal tot burgemeester gekozen. Hij was ook bewindhebber van de VOC kamer Hoorn. In 1715 werd hij hoofdingeland van de Beemster. Hij trouwde in 1706 met Debora Amerentia Compostel, de oudste dochter van de Enkhuizer burgemeester Jacob Compostel, die aan de Neckerweg in de Beemster een buiten [link] bezat. Zij stierf een jaar later in het kraambed. Nanning bleef achter met een dochtertje. Later nam hij de wees geworden kinderen van zijn broer in huis. Pas na de dood van zijn dochter in 1728 hertrouwde hij, met Jacoba de Vries. Ze kregen negen kinderen. In 1742 viel hem samen met zijn neef Cornelis de nalatenschap van de rijke Alkmaarse familie Van Egmond van de Nijenburg ten deel. Nanning verkreeg daarbij onder andere de heerlijkheden Petten en Nolmerban. Hij gold in zijn tijd als rijkste man in Hoorn. Zijn nalatenschap bedroeg ruim 1,2 miljoen gulden. Zijn acht nog in leven zijnde kinderen verdeelden de nalatenschap, waarbij zijn dochter Agatha de boerderij aan de Jisperweg erfde.
Agatha van Foreest (1733-1801) trouwde met haar achterneef Joan van Foreest (1733-1766). Hij was na de dood van zijn vader in 1761 in de vroedschap van Hoorn gekomen. Ook werd hij hoofdingeland van de Beemster. Hij bezat een buitenplaats aan de Volgerweg. Agatha was zwanger van hun negende kind toen Joan plotseling bezweek aan de pokken. Als boedelhoudster bleef zij eigenaresse van de buitenplaats. Ze verbleef er een groot deel van het jaar. Enkele jaren later kondigde Agatha aan te willen hertrouwen. Een schandaal was geboren, want haar keus was gevallen op Jan Schenk, haar zeven jaar jongere huisknecht van eenvoudige komaf en nog katholiek ook. Het paar zou al enige tijd amoureuze betrekkingen onderhouden waardoor huispersoneel ontslag had genomen. Haar oudste zoons, 19 en 17 jaar oud, haastten zich naar de Beemster waar zij met ontblote sabels Jan van het erf joegen. Ondanks alle tegenstand zette Agatha door. De schrijfster Betje Wolff, die als domineesvrouw in de Beemster het nieuws van nabij bijhield, vond haar een heldin, omdat zij haar hart volgde. Uiteindelijk werd het huwelijk in juni 1775 voltrokken.
Mr.Nanning van Foreest (Stedelijk Museum Alkmaar)
Agatha van Foreest (Westfries Museum)
Na haar dood verkochten haar kinderen de huismanswoning met 20 morgen land in een openbare veiling op 11 februari 1801 aan Aris Graftdijk. Hij betaalde ƒ 8589.
Aris Dirksz Graftdijk (1736-1821) was geboren in West-Graftdijk. De familie bezat een houtzaagmolen aan de Schermerringdijk. Uit zijn huwelijk met Neeltje Adriaens Braak († 1780) werden 11 kinderen geboren. Aris Graftdijk had vijf jaar eerder de naastgelegen boerderij op BK19 aangekocht en bezat nog meer landerijen in de Beemster. Bij de scheiding van zijn nalatenschap waren er nog drie kinderen in leven. Zoon Adriaan kreeg onder andere de BK18.
Adriaan Graftdijk (1765-1826) was ook houtkoopman te West-Graftdijk. Hij trouwde eerst met Neeltje Dirks Zijpheer. Van hun vier kinderen bleef alleen dochter Trijntje in leven. Adriaan hertrouwde met Sijtje Isaacs Smit (1774-1812) en kreeg met haar drie zoons. Sijtje stierf in het kraambed na de geboorte van de jongste zoon. Vier jaar later trouwde Adriaan voor de derde maal met Catharina de Bree, zijn 40-jarige huishoudster. Na zijn dood kreeg zijn jongste zoon Dirk de boerderij aan de Jisperweg.
Dirk Graftdijk (1812-1853) vestigde zich als kaaskoopman in Purmerend. Hij had een winkel in de Peperstraat. In 1835 trouwde hij in Egmond aan Zee met Christina Johanna van Egmond (1809-1859). Haar vader Christiaan van Egmond was burgemeester van de gemeente Egmond. Het paar kreeg twee dochters en twee zoons. Dirk was bij de invoering van het Kadaster in 1832 de eigenaar van het huis dat met schuur en erf een oppervlakte had van 220 m² en werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. Twee jaar eerder bij de Volkstelling bleek Klaas Olij de pachter van de boerderij. Hij was geboren in Westzaan. Hij woonde er met zijn vrouw Neeltje van Zaanen uit Oosthuizen, hun twee jonge kinderen, zijn broer Muus als werkman en zijn zus Barber als dienstbode. Op 1 februari 1839 verkocht Dirk Graftdijk voor ƒ 12.000 de boerderij aan Jan Switser uit Purmerend. Waarschijnlijk kenden zij elkaar al langer, want Dirks halfzuster Trijntje was getrouwd geweest met een broer van Jan, Nicolaas Switser.
Jan Switser (1794-1865) was een kleinzoon van de bekende Jan Switser die eerst als tuinman werkte op buitenplaatsen in de Beemster en later landmeter werd. Hij tekende zijn levensverhaal op. Het manuscript werd in boekvorm uitgegeven. Kleinzoon Jan was leerlooier en koopman, eerst aan de Dubbele Buurt en later op de Koemarkt in Purmerend. Hij was in 1815 getrouwd met Aagje Kort (1794-1862). Na hun huwelijk woonden ze enige jaren in Nieuwer-Amstel. Hun zoon Cornelis Henricus Switser (1819-1857) bestierde sinds zijn huwelijk in 1841 met Maartje Klerk de boerderij aan de Jisperweg. Volgens volgens de Landbouwtelling van 1854 bezat hij 16 koeien, 4 kalveren, 75 schapen en 5 varkens. Na de dood van Jan Switser vererfde de boerderij op de acht nog ongetrouwde kinderen van zijn overleden zoon Cornelis Henricus. Twee jaar later verkochten zij de boerderij aan hun moeder Maartje Klerk voor eenvierde en de jongste zes kinderen voor drievierde. In 1878 kocht Maartje haar laatst overgebleven kinderen uit en werd alleen eigenaar. Ze nam drie kleinkinderen in huis, kinderen van haar dochter Aagje en haar eerste man Roelof Hes. In 1889 verkocht Maartje Klerk de boerderij aan Frederik Schoenmaker.
Frederik Schoenmaker (1829-1909) was oorspronkelijk afkomstig uit Nibbixwoud. In 1853 was hij getrouwd met Geertje Bakker (1825-1896). Hij was eigenaar van verschillende landerijen in de Beemster, onder andere boerderij De Lepelaar Hij was dan ook hoofdingeland van het Waterschap De Beemster. Na de dood van Geertje Bakker vond een boedelscheiding plaats, waarbij dochter Mijntje Schoenmaker de boerderij aan de Jisperweg kreeg.
Mijntje Schoenmaker was in 1855 geboren in Oosthuizen. Ze trad in 1875 in het huwelijk met Jacobus Klaver (1853-1877) en kreeg met hem een zoontje dat één dag na de dood van zijn vader werd geboren. In 1879 hertrouwde Mijntje met de weduwnaar Dirk Akkerman (1841-1916). Hij was geboren in Oterleek en woonde met zijn eerste vrouw Maartje van Reenen en hun vier kinderen in de Schermer. Na hun huwelijk gingen Dirk en Mijntje boeren aan de Hobrederweg. Daar werd nog een dochtertje geboren. In 1884 verhuisde het hele gezin naar de Westdijk van de Schermer, onder de jurisdictie van Alkmaar. Vanaf 1902 betrok Klaas Akkerman de boerderij van zijn vader in de Beemster. Na diens dood kreeg hij deze bij legaat in bezit.
Klaas Akkerman (1876-1944) was de jongste zoon uit het eerste huwelijk van Dirk. Hij trouwde in 1902 met Maartje Berkhouwer uit Haringcarspel. Ze kregen twee zoons. In de Landbouwtelling van 1910 staat Klaas Akkerman vermeld als pachter van 16,85 ha land, waarop hij 1 paard, 16 melkkoeien, 10 mestkoeien, 8 kalveren, 24 schapen en 32 lammeren, 40 varkens en 15 kippen hield. In datzelfde jaar werd een bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een schuur voor varkensstalling. Twee jaar later werd opnieuw een schuur verbouwd voor veestalling. Hij won diverse malen prijzen met zijn varkens. In 1919 werd Klaas Akkerman gekozen tot hoofdingeland van het Waterschap De Beemster. Drie jaar later volgde bij Koninklijk Besluit zijn benoeming tot heemraad. Op 3 mei 1940 werd een boelhuis gehouden en verkocht Klaas 24 runderen, 10 fokschapen met 22 lammeren, wagens, gereedschappen, hooi en mest. Na zijn overlijden in 1944 werd de boerderij gezamenlijk eigendom van zijn weduwe en zijn twee zoons.
Hendrik Jan Pieter Akkerman (1908-1972) nam de boerderij aan de Jisperweg over, zijn oudere broer Dirk was veehouder in de Schermer. In 1947 liet Hendrik de boerderij verbouwen. In de jaren 60 kwamen er nog een schuur en een veestalling bij. Hij trouwde met Grietje Kaij (1910-1997). Uit dit huwelijk werden een dochter en een zoon geboren. Bij de boedelscheiding in 1973 werd Grietje eigenaresse van de boerderij. In 1979 kochten zoon Hendrik Jan Pieter Akkerman (*1947) en zijn vrouw Johanna Catharina de Jong de boerderij met ruim 16 ha weiland van zijn moeder. Hij kreeg nog bouwvergunningen voor een veldschuur en een loods. In 2012 is begonnen met een volledige herbouw van de boerderij, met behoud van de voorgevel. In 2014 zal hierin, naast een actief agrarisch bedrijf geleid door zoon Peter Akkerman, kinderopvang worden gevestigd.