Jisperweg 44
De Valk

Foto uit de Boerderijenbeeldbank
Collectie HGB
Bij de verloting van de grond op 30 juli 1612 kwam de Binnenkavel 55 aan de Jisperweg in bezit van Jan Sijmonsz de Marees. Jan de Marees of de Marez was een Amsterdamse koopman die oorspronkelijk uit Antwerpen kwam. In 1602 bij de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie kocht hij voor ƒ 1200 aan aandelen. Zijn zakenrelatie met Pieter Romburch was minder succesvol, want in 1624 moest hij de gemeenschappelijke bezittingen, waaronder 32 morgen land in de Beemster, overdragen aan diens curateurs. Deze verkochten in januari 1625 de drie kavels, de BK55 en de erachter aan de Middenweg gelegen Kleine kavels 58 en 59, aan Jacob Capidt of Coppit uit Amsterdam.
Jacob Pietersz Coppit (†1629) was een handelaar in graan en in buskruit. Hij kwam in 1591 in de vroedschap van Amsterdam. Hij woonde in de Warmoesstraat “in den gulden Spiegel”. Zijn nalatenschap bedroeg circa 200.000 gulden. De landerijen in de Beemster werden geërfd door zijn kleindochter Eva Coppit (1598-1669). Haar man, Gualtherus Valckenier, liet ze in 1630 op zijn naam overboeken.
kavel
BK55
verpondingsnummer
292
bouwjaar
1877
wijk
C82
OAT nummer
I54
eerste boerderij
1630-1640
Clara Valckenier (1630-1710) trouwde met Gaspar Pellicorne, heer van Lauwenrecht, die de boerderij aan de Jisperweg in 1678 op zijn naam liet zetten.
Maar zijn optreden was onhandig en hij maakte ruzie met andere leden van het bestuur van Indië. Zo besloot hij de productie van koffie te halveren juist op het moment dat in Europa de vraag naar koffie enorm steeg. De suikerproductie was daarentegen veel groter dan de vraag. Voor de suikerplantages waren in de 17e eeuw veel Chinezen naar Indië gehaald en door de afnemende vraag verloren velen van hen hun werk. Dat leidde tot ongeregeldheden die in 1740 uitliepen op een moordpartij waarbij duizenden Chinezen omkwamen. Door de besluiteloosheid van Valckenier en de ruzies binnen het bestuur had men deze slachting niet kunnen voorkomen. Valckenier nam in 1741 ontslag en ging op weg naar huis. Maar tijdens de terugreis werd hij in Kaap de Goede Hoop gearresteerd en teruggebracht naar Batavia op beschuldiging van corruptie en verantwoordelijkheid voor de Chinezenmoord. Het proces sleepte zich voort tot hij na negen jaar voorarrest in de gevangenis overleed. Zijn enige overlevende zoon erfde De Valk van zijn oudtante.
Adriaan Isaac Valckenier (1731-1784) sloot in 1760 met een overeenkomst de nog altijd slepende civiele procedure tegen zijn inmiddels overleden vader af, waarbij hij een deel van diens nalatenschap ter grootte van ƒ 725.000 kreeg. Hij was eenmaal schepen van Amsterdam en woonde in de Gouden bocht van de Herengracht (nu nr. 479). In Hillegom bezat hij een buitenplaats. In 1768 werd hij krankzinnig verklaard na een poging zijn vrouw en zichzelf met een pistool dood te schieten. De landerijen in de Beemster had hij echter al in oktober 1754 in een openbare veiling ten huize van Jan van de Cappelle, molenbaas van de Beemster, voor ƒ 9398 verkocht aan ds. Lambertus Lepeltak en zijn moeder Everdina Chevijn te Amsterdam.
Lambertus Lepeltak (†1763) was van 1738 tot 1747 predikant in Schellinkhout. Hij nam ontslag omdat hij door de stilte in dit West-Friese dorp last kreeg van zwaarmoedigheid en keerde terug naar Amsterdam. Hij was getrouwd met Elisabeth Pauw, maar zij stierf in 1755 op 30-jarige leeftijd. Een jaar later verkocht Lambertus de boerderij aan de Jisperweg voor exact de aankoopprijs aan zijn schoonvader, Pieter Pauw.
Pieter Pauw (1695-1776) was een Amsterdamse koopman. In de Beemster bezat hij ook de buitenplaats Volgerlust aan de Volgerweg. Uit zijn huwelijk met Sara Warnsinck werden drie dochters volwassen. Maar ook Geertruijd overleed jong, in 1763 stierf ze in het kraambed. Het kind bleef in leven en deze Johanna Elisabeth Creyghton was, samen met haar ongehuwde tante Anna Cornelia Pauw, erfgename van haar grootvader. In 1778 verdeelden ze de nalatenschap, waarbij tante de buitenplaats en een boerderij aan de Zuiddijk kreeg en nichtje De Valk.
Johanna Elisabeth Creyghton (1763-1837) trouwde in 1787 in Den Haag met Cornelis Jacob van Persijn uit een oude vooraanstaande familie. Het paar ging in Leiden wonen. Hij was luitenant-kolonel in het leger ten tijde van prins Willem V. Hij overleed in 1803. De weduwe kreeg enkele jaren later nog een verlies te verwerken. Op 12 januari 1807 ontplofte een schip vol met vaten buskruit aan het Rapenburg in Leiden. Eén van de slachtoffers was de 13-jarige Geertruida van Persijn. Een maand eerder had Johanna Elisabeth Creyghton de boerderij in de Beemster met 36 morgen gras- en bouwland verkocht aan Klaas Schagen voor ƒ 16.200, waarvan 5000 gulden op een lening tegen 5 ¼ % rente.
Klaas Jansz Schagen kwam uit Wervershoof. In december 1807 verkocht hij 4 morgen grasland, “het voorstuk van de kavels” KK58-59, voor ƒ 2400. Het geld was nodig voor aflossing van een deel van de lening. Klaas overleed in november 1809. Zijn weduwe Jantje Klaas Koning (1759-1820) nam het boerenbedrijf over en leende in januari 1810 van Beemsterling Gerrit Hoogland opnieuw 1000 gulden, ditmaal tegen een rente van 6 %. Na haar dood kocht oudste zoon Jan zijn broers en zusters uit voor bijna 20.000 gulden.
Jan Schagen (1785-1859) was de eigenaar en bewoner bij de invoering van het Kadaster in 1832. Het huis werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van 45 gulden.
 
Jan Schagen was in 1815 getrouwd met Santje Mooij uit Nieuwe Niedorp. Zij was weduwe van Sijmon Jz Olij en had van hem twee zoontjes. Met Jan Schagen kreeg ze nog twee kinderen, maar het dochtertje overleed op 4-jarige leeftijd. Zoon Klaas erfde de boerderij van zijn vader.
Klaas Schagen (1818-1882) trouwde in 1852 met Wulmet Sijmons Kramer (1821-1876). Ook hun oudste kind stierf toen hij 4 jaar was. Klaas Schagen liet in 1877 De Valk herbouwen. De oppervlakte bleef 400 m2, maar de belastbare waarde werd opgetrokken naar ƒ 375. Klaas kreeg echter voor vijf jaar vrijstelling van het betalen van belasting. Na zijn dood kreeg zoon Jan de boerderij.
Jan Schagen (1858-1885) kon niet lang genieten van zijn bezit. Hij was slechts 26 jaar toen hij overleed. Zijn weduwe Aaltje Reijne hertrouwde een jaar later met een weduwnaar uit Wognum en vertrok met haar twee dochtertjes. Intussen had ze de boerderij aan de Jisperweg verkocht aan haar zwager.
Gualtherus of Wouter Valckenier (1589-1650) was ook raad in de vroedschap van Amsterdam. Hij werd vier maal tot burgemeester gekozen. In 1638 werd hij hoofdingeland van de Beemster. Bij de overboeking in 1630 was er nog geen sprake van bebouwing, maar tien jaar later stond er een boerderij, die waarschijnlijk naar de eigenaar de naam De Valk kreeg. De boerderij werd geërfd door dochter Sijbrandina Agata Valckenier. Zij stierf ongehuwd in 1667. De boerderij met 20 morgen land werd toen getaxeerd op ƒ 18.000. Haar zuster Clara was haar enige erfgenaam.

De boerderij op de kopergravure van Balthasar Florisz van Berckenrode in 1644.
Gaspar Pellicorne (1628-1680) was net als zijn vader Jean koopman te Amsterdam, samen met zijn broer leidde hij het handelshuis Pellicorne. Hij werd bewindhebber van de West-Indische Compagnie en nam in 1678 plaats in de schepenbank. Vanaf 1667 was hij hoofdingeland van de Beemster, waar hij onder meer een buitenplaats aan de Neckerweg bezat. Clara zette na zijn dood met haar zwager de zaak voort. Bij testament vermaakte zij haar bezittingen aan de kinderen van dochter Eva Susanna voor de ene helft en aan dochter Clara Jacoba voor de andere helft. In 1711 verdeelden zij de nalatenschap waarbij laatstgenoemde de boerenwoning met 36 morgen - Clara had ook de KK58-59 geërfd - verkreeg. Het geheel werd getaxeerd op 16.000 gulden.
Clara Jacoba Pellicorne (1671-1742) trouwde op 16-jarige leeftijd met Adriaan Pels. Het huwelijk bleef kinderloos. Het paar had geen gelukkige relatie, in 1718 scheidden ze officieel van tafel en bed. Clara Jacoba legde in haar testament een legaat vast, waarin de ‘boerewoning genaamd De Valk’ met land werd toebedeeld aan kleinkinderen van haar zuster. Dit is de eerste keer dat de naam van de boerderij in de bronnen voorkomt.
Eva Susanna Pellicorne was ook 16 jaar oud toen ze trouwde met een neef, Pieter Ranst Valckenier. Hij was schepen en secretaris van Amsterdam en bewindhebber van de VOC. Eén van hun kinderen was Adriaan Valckenier (1695-1751), die in 1714 als onderkoopman naar Indië vertrok. Hij maakte in Batavia een snelle carriere in het bestuur en werd uiteindelijk in 1737 gouverneur-generaal.
De minuutplan van het Kadaster, getekend in 1813, met het huis (54) en de boomgaarden (55-56).
Links de Jisperweg en boven de Oosthuizersloot.
Dirk Jansz Eijssen (1850-1917) was van doopsgezinde huize, zijn moeder was een Doets. Hij was in 1876 getrouwd met Belitje Schagen (1854-1932). Ze kregen vier kinderen, oudste dochter Maartje overleed na een langdurig ziekbed in 1900 op 18-jarige leeftijd. Dirk Eijssen werd in 1894 tot hoofdingeland van waterschap de Beemster gekozen. Bij de Landbouwtelling van 1910 zat hun oudste zoon Klaas al als pachter op de boerderij. Hij bezat toen 2 paarden, 1 stier, 14 melkkoeien, 20 mestkoeien, 3 kalveren, 109 schapen en 10 lammeren, 9 varkens en 10 kippen. Moeder Belitje bleef na het overlijden van haar man eigenaresse van de boerderij. Pas bij de boedelscheiding na haar dood werd Klaas eindelijk eigenaar.
Klaas Eijssen (1877-1967) kocht in 1934 boerderij Hovenberg en in 1943 verderop aan de Jisperweg nog een boerderij. In 1948 liet hij De Valk gedeeltelijk vernieuwen. Klaas en zijn vrouw Jannetje Focker (1882-1962) hadden vier kinderen. Na zijn dood werden de kinderen, Belitje (1906-1990), Abraham (1907-1988), Dirk Jan (1908-1998) en Antje (1915-1994), gezamenlijk eigenaar. Van hen was alleen Belitje Eijssen getrouwd, in 1928 met de uit Edam afkomstige veehouder Jan de Jonge (1905-1987). In 1974 kocht hun zoon Klaas de boerderij met schuren en land.
Klaas de Jonge en zijn vrouw Tineke Kos (1944-1996) kregen in de daaropvolgende jaren bouwvergunningen voor een loopstal (1975), verbouwing van de boerderij (1984) en de bouw van een schapenstal (1988). Inmiddels zit de volgende generatie op boerderij De Valk, de achtste sinds voorvader Klaas Schagen hem twee eeuwen geleden kocht.
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen