Jisperweg 99
Latenstein

Foto uit de Boerderijenbeeldbank
Collectie HGB, foto van vóór de herbouw in 1912
In 1612 werd de Binnenkavel 28 aan de Jisperweg verloot aan Abraham Boom (1575-1642). Hij was sinds de dood van zijn vader Pieter Boom in 1609, een van de oorspronkelijke bedijkers, hoofdingeland van de Beemster. In Amsterdam was hij lid van de vroedschap en hij werd negen maal tot burgemeester gekozen. Hij was koopman en bankier en woonde aan de Oudezijds Achterburgwal. Abraham Boom was een van de grote investeerders in de droogmaking van de Beemster, hij verwierf in 1612 in totaal 245 morgen grond in de Beemster.
In 1628 verkocht Abraham Boom de BK28 aan François en
Susanna van Hoove. Na de dood van François werd in 1631 zijn bezit in de Beemster getaxeerd, waarbij het huis met 20 morgen land aan de Jisperweg werd geschat op een bedrag van 18.000 gulden. Zijn helft daarin vererfde op zijn broer Christoffel en zus Susanna. Uiteindelijk was Susanna de enige eigenaar. Zij was in 1612 getrouwd met Adriaen Thibault. De koopmansfamilie Thibault kwam oorspronkelijk uit Ieper in Vlaanderen en was via Middelburg naar Amsterdam gekomen. Adriaen’s oudere broer Gerard was een befaamd schermleraar. Zijn zuster Maria trouwde met Antonio van Surck, een in Antwerpen geboren Amsterdamse koopman. Hun oudste zoon Anthonie trouwde in 1635 met zijn volle nicht Susanna Adriaens Thibault. Zij erfde in 1637 van haar moeder Susanna van Hoove de boerderij met land aan de Jisperweg, die werd overgeboekt op naam van haar echtgenoot.
kavel
BK28
verpondingsnummer
307
bouwjaar
1912
wijk
C173
OAT nummer
A80
eerste boerderij
voor 1628
In september 1765 verkocht Wigbold Adriaan van Nassau-Woudenberg de boerderij met kavel en de achtergelegen tochtstukken van de Dijkkavels 73-74, in totaal 32 morgen land, voor 12.000 gulden aan Claas Cornelisz Velseboer.
Claas Velseboer (†1775) kwam omstreeks het midden van de 18e eeuw uit de Starnmeer naar de Beemster. Claas was kennelijk in goede doen, want in 1771 kocht hij nog een boerderij aan de Middenweg, een jaar later een halve kavel naast de boerderij aan de Jisperweg en vlak voor zijn dood nog eenderde deel in een boerderij iets verderop aan de Middenweg. Deze laatste transactie werd door de erfgenamen afgehandeld. Zijn oudste zoon Huijbert Velzeboer, die de eerste katholiek was die na de Bataafse omwenteling van 1795 in het bestuur van de Beemster, de Municipaliteit, kwam, erfde de landerijen aan de Middenweg, terwijl de jongste zoon Sijmon de boerderij met 42 morgen aan de Jisperweg kreeg.
Sijmon Clz Velseboer (†1809) verging het niet zo goed als zijn vader. In 1791 moest hij een lening van ƒ 5000 tegen 4 % rente afsluiten met zijn landerijen als onderpand. In 1800 leende hij nogmaals 1000 gulden, nu tegen 4½ % en weer een jaar later opnieuw 2000 gulden, ditmaal was de rente 6 %. Na zijn dood liet zijn weduwe, Jannetje Ariaans Boersen (†1811), de boerderij op haar naam overboeken. De geldzorgen hielden echter aan en uiteindelijk moesten de erfgenamen begin 1813 de boerderij met 42 morgen land als gevolg van een gerechtelijke toewijzing afstaan aan Arend Latenstein te Zaandam.
Arend Latenstein (1754-1842) was koopman en fabrikant. Hij was geboren in Oudkarspel en trouwde met Jannetje Aarsen uit Schermerhorn. Het paar verhuisde naar Oostzaandam waar in 1781 zoon Pieter werd geboren. In 1790 was Arend begonnen als timmerbaas in dienst van het Hoogheemraadschap van de Hondsbossche en Duinen tot Petten. Hij werd in 1807 opziener van de schutsluis in Zaandam die al sinds 1547 in beheer was van dit waterschap. Later was hij als architect betrokken bij de herbouw van de kerk in Jisp en de verbouw van de Kogerkerk in Koog aan de Zaan. Waarschijnlijk was Klaas Velseboer (1780-1855) sinds de dood van zijn vader de pachter op de boerderij. Volgens de Volkstelling van 1830 woonde hij er met zijn vrouw Trijntje Konijn, hun zeven kinderen, een werkman en twee dienstboden. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was Arend Latenstein nog steeds de eigenaar. Huis en erf hadden toen een oppervlakte van 378 m2 en werden getaxeerd in klasse 4 met een belastbare waarde van ƒ 75. Na zijn dood vererfde de boerderij die inmiddels de naam Latenstein had gekregen, op zoon Pieter.
Pieter Latenstein (1781-1851) was koopman en houtzager. Ook bekleedde hij bestuursfuncties, onder andere bij het waterschap. Hij was eerst getrouwd met Guurtje Heijnis. In 1836 hertrouwde hij met Guurtje Deutekom, weduwe van Jan Noome. Zoon Arend werd in 1852 de nieuwe eigenaar van de landerijen in de Beemster.
 
Op latere leeftijd werd Arend Latenstein dijkgraaf van de Wijdewormer. Hij was in 1833 getrouwd met Elisabeth Stam (1813-1871) uit Wormerveer. Ze kregen zestien kinderen, de helft stierf op jonge leeftijd. Arend Latenstein verpachtte de boerderij aan Remmet Noome (1855-1920), een kleinzoon van zijn vaders tweede vrouw. Na Arends dood werd de boerderij aan de Jisperweg, samen met landerijen in de Wijdewormer, in een openbare veiling op 27-11-1883 in de Doelen in Purmerend verkocht.
Anthonie van Surck (1607-1666) was koopman en makelaar in VOC-aandelen. Hij was zeer rijk en had grote ambities. Hij kocht in 1642 de heerlijkheid Bergen en ging zich vanaf dat moment Anthonie Studler van Surck, heer van Bergen noemen. Hij had grootse plannen om de ruïne van de Middeleeuwse burcht, in 1574 in de strijd tegen de Spanjaarden verwoest, te vervangen door een herenhuis. Met zijn vriend de filosoof René Descartes maakte hij plannen voor een gebouw met tuinen gebaseerd op het Palais du Luxembourg in Parijs. Hoewel ’t Oude Hof in Bergen niet geheel volgens plan werd uitgevoerd, leefde Anthonie met zijn familie er met adellijke grandeur. Zijn zoon Adriaan Studler van Zurck (1649-1696) trouwde dan ook met Adriana Eleonora van Teylingen, afstammend uit een oud adellijk geslacht.
De boerderij op de kopergravure van Balthasar Florisz van Berckenrode in 1644.
 
 
Hun enige dochter Susanna Cornelia Studler van Zurck, vrouwe van Bergen (1685-1707) sloot een nog aanzienlijker huwelijk met Lodewijk Adriaan, graaf van Nassau-Odijk (1670-1742). Zijn grootvader was een van de bastaarden van prins Maurits. Na de dood van hun zoon Willem Adriaan van Nassau-Bergen (1704-1759) vererfden de landerijen in de Beemster op diens kinderen, waarbij de jongste zoon de boerderij aan de Jisperweg kreeg.
Wigbold Adriaan van Nassau-Woudenberg (1729-1797) was vroedschap en burgemeester van Alkmaar, dijkgraaf van Geestmerambacht en bewindhebber van de VOC. Ook bekleedde hij de functie van rentmeester-generaal van de domeinen in West-Friesland, maar in 1788 werd hij ontslagen omdat er een kastekort van bijna een ton was. Zijn bijnaam was “gekke Nassau”, krankzinnigheid kwam in de familie voor.
Wigbold Adriaan van Nassau-Woudenberg (Stedelijk Museum Alkmaar)
Abraham Boom (fragment van een schilderij van Thomas de Keyser, 1638; foto Amsterdams Museum)
Arend Latenstein Pz (1812-1883) was ook koopman en houthandelaar. In 1834 kocht hij houtzaagmolen De Dickert in Koog aan de Zaan. In de jaren 1860 kocht hij een aantal verfmolens voor zijn toen 17-jarige zoon Jacob. Ook bezat hij de stoomstijfselfabriek De Arend in Oostzaan, waar op basis van tarwe en rijst stijfsel werd gemaakt wat onder andere werd gebruikt door grote weverijen in Amsterdam en Haarlem. De afvalproducten van de stijfselmakerij werden gebruikt in de varkens- en pluimveemesterijen in Oostzaan en Landsmeer.
Koper was Elisabeth Latenstein (1837-1917) die voor ƒ 74.240 haar broers en zusters uitkocht. Elisabeth trouwde met de houtkoopman Willem van de Stadt, zoon van Cornelis burgemeester van Zaandam en eigenaar van een van de grootste houtzagerijen in de Zaanstreek. Willem overleed echter al enkele jaren later op 30-jarige leeftijd, Elisabeth was toen zwanger van haar vierde kind. Hun zoon Cornelis van de Stadt werd burgemeester van Wanneperveen (1898-1913) en Goor (1913-1926). In november 1904 werd een op het erf achter de boerderij staand huisje door brand verwoest. Elisabeth Latenstein verkocht in 1911 de boerderij aan Gerrit Jan Geertsema.
De nieuwe eigenaren waren, elk voor de helft, Gerrit Rinses en Simon de Waal uit Amsterdam. Simon was melkslijter in Sloten. Hij was familie van Geertsema, want hun vrouwen waren nichten. Pachter op de boerderij werd een neef, Jacobus van Splunter (1902-1970). Hij kwam begin 1929 met zijn vrouw en eenjarig zoontje uit Haarlemmerliede. Het kind overleed enkele maanden later. Het paar kreeg daarna nog drie zoons. Bij de veetelling van 1930 bleek Jacobus in bezit van 5 paarden, 1 melkkoe, 12 stuks mestvee, 2 zeugen, 20 kippen en 59 kuikens. De paarden werden gebruikt om te fokken.
In 1941 werd op het naastgelegen weiland, kadastraal nummer A76, nog een huis gebouwd. Na de dood van Simon de Waal kreeg zijn weduwe, Maria Lena van Splunter, zijn deel. De andere helft was inmiddels in bezit van Jacobus van Splunter. Gezamenlijk verkochten ze in 1955 de twee huizen, schuren en land aan de NV Levensverzekerings Maatschappij Utrecht, die later opging in AMEV Levensverzekeringen te Utrecht. Jacobus bleef er wel wonen en later zijn zoon Jacob van Splunter (1936-1993). In de jaren ’80 werden nog bouwvergunningen verleend voor een kapschuur en een loods.
Affiche De Arend (Gemeentearchief Zaanstad)
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Gerrit Jan Geertsema (1888-1933) kwam uit de Haarlemmermeer. Hij liet het oude huis slopen en verkreeg in maart 1912 een bouwvergunning voor de bouw van een woning met een ‘landbouwschuur voor paardenstalling en rijtuigberging’, samen zo’n 500 m2. Enkele maanden later verving hij de oude schuur door een nieuwe en in 1919 kwam er nog een schuur voor berging van wagens bij. In augustus 1926 brandde een van de schuren tot de grond af. De krant De Waterlander meldt: “De schuur was bewoond door Belgen, die al hun kleeren verloren.” Geertsema kreeg in oktober een vergunning voor herbouw van de schuur. Naast zijn wagenverhuurbedrijf was hij landbouwer en veehouder. Toen het nieuwe huis klaar was, trouwde hij in oktober 1912 met Adriaantje van Splunter (1892-1933) uit Spaarndam. Ze kregen vier kinderen. Eind 1927 verkocht Geertsema het huis en goederen wegens bedrijfsbeëindiging en vertrok in februari 1928 met zijn gezin naar Heemstede.