Middenweg 194
De Lepelaar

Foto uit de Boerderijenbeeldbank
De boerderij in 1950 (Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Bij de verdeling van de grond in 1612 viel de Binnenkavel 58 aan de Middenweg toe aan Laurens Jansz Spiegel (1575-1623) uit Amsterdam. Zijn ouders behoorden tot de meest vooraanstaande families van de stad. Ook Laurens was raad in de vroedschap van Amsterdam vanaf 1611 tot hij bij de wetsverzetting in 1618 door prins Maurits werd afgezet. Na de overstromingsramp van januari 1610, toen de bijna droge Beemster weer onderliep, trad hij toe tot de groep investeerders in de droogmaking en werd hoofdingeland. Hij was zeepzieder in Amsterdam en zeer rijk. Hij kocht in 1609 de hofstede Nuyssenburch te Overveen en schafte zich in 1620 de heerlijkheid Achttienhoven aan. Na zijn dood erfde zijn jongste dochter Bregitta onder meer de Nuyssenburch en de BK58 in de Beemster.
Bregitta Spiegel (1606-1668) was getrouwd met Willem Backer (1595-1652) die eveneens vroedschap van Amsterdam was. Vijf maal werd hij tot burgemeester verkozen. In 1647 werd hij door de doge van Venetië tot Ridder van Sint Marcus benoemd. Hij was ook bewindhebber van de VOC maar trad na enkele jaren af omdat hij het niet eens was met de handelwijze van zijn medebestuurders. In 1649 werd hij hoofdingeland van de Beemster waar hij ruim 100 morgen land bezat. Op de BK58 stond in 1644 op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode een vrij klein huis.
De kavel werd in 1658 door Bregitta Spiegel geschonken aan haar schoonzoon mr. Jan Bernd Schaep (1633-1666) die een jaar eerder getrouwd was met oudste dochter Margarita Backer. Hij werd direct hoofdingeland van de Beemster. Het paar woonde in Amsterdam op de Kloveniersburgwal. In 1660 verkocht Schaep de BK58 aan Cornelis Jbz Ploegh uit Jisp voor ƒ23.000.
kavel
BK58
verpondingsnummer
278
bouwjaar
1683
wijk
B16
OAT nummer
G98
eerste boerderij
voor 1644
In 1968 werd De Lepelaar geplaatst op de rijksmonumentenlijst. De boerderij is toen opgemeten en getekend. De omschrijving in het Monumentenregister luidt: “Deels houten stelphoeve met grotendeels rieten dak; achterwaarts uitgebouwd bedrijfsgedeelte. De hoger opgetrokken middenpartij van de bakstenen voorgevel heeft de gedaante van een puntgevel, afgedekt door een natuurstenen lijst, bij de aanzetten en halverwege versierd met vazen en bekroond door een fronton.”
Via deze Maria Ploegh (1661-1720), weduwe van ds. Wilhelmus van Sevenhoven, ging de boerderij voor de helft over op haar dochter Clasina en haar man Barend Berkhoff, koopman in Amsterdam. De andere helft kwam in bezit van haar kleinzoon, Floris Neelen († 1763) in Schagen. Hij verkocht zijn portie in 1750 aan Jacob Wormer Ploegh, een achterneef, voor 3000 gulden.
Jacob Wormer Ploegh (1709-1763) was een zoon van een kleindochter van Cornelis, Neeltje Ploegh (1683-1737). Zij trouwde in 1702 met Claas Wormer uit Purmerend. Hij stamde uit een Purmerendse regentenfamilie en was er raad in de vroedschap en burgemeester. Zijn oudste zoon volgde hem als zodanig op, zodat tweede zoon Jacob Wormer Ploegh niet verder kwam dan twaalf termijnen in de Purmerendse schepenbank. Daarnaast was hij koopman en reder. Hij bleef ongehuwd en vermaakte zijn bezit bij testament aan zijn neef mr. Dirk Wormer.
De erfgenamen van Barend Berkhoff verkochten hun helft in de boerderij met 20m. land aan de Middenweg in 1766 aan Cornelis van Goor Hinlopen voor ƒ 4750.
Cornelis van Goor Hinlopen (1719-1794) was sedert 1748 secretaris van het polderbestuur van de Beemster. Hij bezat de buitenplaats Zwaansvliet [link] aan de Volgerweg. In 1776 verkocht hij zijn deel in de BK58 voor 6000 gulden aan Jacob Lourensz Hardebol.
Jacob Lourensz Hardebol (1716-1784) kwam uit een familie die al bijna een eeuw in de Beemster woonde. Ze waren pachtboeren. Mogelijk was Jacob eerst pachter op de BK58 voordat hij in 1776 de helft kocht. Zijn enige dochter Maartje, uit zijn huwelijk met Aaltje Kramer, erfde dit.
Mr. Dirk Wormer (1756 -1818) woonde in Leiden en deed al zijn geërfde landerijen in de Beemster van de hand. Zo verkocht hij in februari 1785 zijn helft in de onverdeelde boerderij met land aan de Middenweg aan Claas Prins voor 8000 gulden.
Claas Pietersz Prins (1752-1830) trouwde tien maanden na de dood van haar vader met de toen 40-jarige Maartje Jacobs Hardebol (1744-1816), zodat de boerderij weer in een hand kwam. Het paar kreeg slechts één dochter die ongehuwd bleef. In 1822, toen Claas 70 jaar was, verkocht hij de boerderij voor ƒ 13.500 aan Cornelis Bakker.
Cornelis Bakker (1796-1852) kwam uit Spanbroek. Hij betrok met zijn vrouw Meijnoutje Jans Groot en hun enkele maanden oude zoontje de boerderij. Het kind overleed op 2-jarige leeftijd. Later kregen ze nog twee dochters. In 1832, bij de invoering van het Kadaster, was Cornelis Bakker de eigenaar en bewoner van de boerderij met boomgaard en weiland. Het huis had een oppervlakte van 296 m2 en werd aangeslagen in klasse 6 met een huurwaarde van ƒ 45. Bij de herziening in 1875 werd dit 275 gulden, later teruggebracht naar ƒ 183. Na de dood van Cornelis erfde zijn weduwe de boerderij. Zij verkocht het bezit in 1857 voor 32.000 gulden aan haar schoonzoon Frederik Schoenmaker uit Kwadijk.
Frederik Schoenmaker (1829-1909) was oorspronkelijk afkomstig uit Nibbixwoud. In 1853 trouwde hij met Geertje Bakker (1825-1896). Hij had als hoofdingeland zitting in het bestuur van het Waterschap De Beemster. In 1909 kocht zoon Klaas De Lepelaar voor ƒ 48.000 uit de nalatenschap van zijn vader.
Bregitta Spiegel (Amsterdam Museum)
Cornelis Jbz Ploegh (1624-1696) was een van de ‘leedzetters’ waar Jisp in die tijd beroemd door was. Een leedzetter was een heelmeester die was gespecialiseerd in het zetten van ledematen. Van heinde en verre kwamen mensen met botbreuken naar Jisp. Cornelis Ploegh behoorde tot de notabelen van het dorp en was er burgemeester. Hij was ook actief als koopman en reder van walvisvaarders. Hij was zeer rijk, zijn vermogen beliep zo’n 200.000 gulden. Naast landerijen in de Beemster bezat hij ook boerderijen in de Wijdewormer. Op de BK58 liet hij in 1683 een grote nieuwe boerderij bouwen met als gevelsteen het wapen van Jisp, een lepelaar.







Waarschijnlijk gebruikte hij de heerschapskamer als zomerverblijf. Volgens het testament van Cornelis en zijn vrouw Claasje Willems vererfde de boerderij op hun dochter Maritje.
Cornelis Jbz Ploegh, leedzetter van Jisp
Zoon Dirk Schoenmaker (1890-1967) kwam met zijn gezin in 1919 op De Lepelaar boeren. Moeder Aaltje woonde bij hen in. Toch werd hij na haar dood niet automatisch de nieuwe eigenaar, maar hij moest het bezit delen met Grietje Zijp, weduwe van veehouder Gerrit Reijnders te Avenhorn. Pas in 1959 werd hij de enige eigenaar. Na zijn overlijden werd zijn weduwe Grietje Spaans (1892-1972) in 1967 de eigenaar. Twee jaar later kwam de boerderij met land in bezit van hun dochters Aaltje en Nelly Schoenmaker, beiden woonachtig in Bergen. Later werd Nelly alleen eigenaar. Zij verkocht het vervolgens in 1979 aan Margriet Bruin en haar man Teunis Jan van der Oord. Enkele maanden later verkochten zij De Lepelaar aan Johannes Fredericus Hartog, directeur te Edam. Hij verkreeg in 1981 een bouwvergunning om door architect P.J. Kwakman de boerderij te laten verbouwen.
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Klaas Schoenmaker (1861-1915) liet in 1911 een schuur bijbouwen. Veehouder en -fokker Klaas won vele prijzen met zijn runderen en varkens. Uit de Landbouwtelling van 1910 blijkt dat hij 2 paarden, 1 stier, 15 melkkoeien, 9 jonge koeien, 36 schapen en 23 lammeren, 7 biggen, 30 kippen en 60 kuikens op zijn 17 ha. land had rondlopen. Na zijn dood zette zijn weduwe Aaltje Prins het bedrijf voort. Zij overleed in 1932 na een langdurig ziekbed in de Liduina-stichting in Purmerend.