Middenweg 2
Zonnehoek

Collectie Historisch Genootschap Beemster
kavel
DK107
verpondingsnummer
196
bouwjaar
1869
wijk
C188
OAT nummer
B85
eerste boerderij
2e helft 17e  eeuw
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. De Dijkkavel 107 aan de Middenweg nabij Avenhorn werd toebedeeld aan Hendrick en Dirck van Oss. Deze grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster verkregen samen ongeveer eenzevende van de totale oppervlakte. In de eerste jaren na 1612 kochten ze nog veel land aan. De broers kwamen oorspronkelijk uit Antwerpen, maar waren na de herovering van deze stad door de Spanjaarden naar het noorden gevlucht. Ze vestigden zich als kooplieden in Amsterdam. In naam deden de broers alles samen, in de praktijk was Hendrick de ‘stille vennoot’ op de achtergrond terwijl Dirck de ondernemer was. Hij richtte zijn aandacht niet alleen op de aloude handelsgebieden (Oostzee, Frankrijk, Middellandse zee), maar vooral ook zocht hij nieuwe markten in de Levant, het Verre Oosten en Rusland. Dirck van Oss (1556-1615) behoorde tot de eerste Hollanders die via Archangel met de Russen in contact kwam. Hij stak geld in één van de eerste vloten die naar Indië gingen in de jaren 1590. Toen op initiatief van Van Oldenbarneveldt de VOC werd opgericht in 1602 kochten Hendrick en Dirck van Oss voor ƒ 47.000 aan aandelen. Dat leverde hen in de jaren daarna behoorlijke winsten op waarvoor ze op zoek gingen naar investeringsmogelijkheden. Die vonden ze in de Beemster. Bij zijn dood in 1615 bezat Dirck een vermogen dat wordt geschat op bijna 3 miljoen gulden. Na de dood van Hendrick kwam de kavel in 1623 in bezit van de middelste zoon van Dirck, François.
De boerderij op de minuutplan uit 1813 van het Kadaster (Noord-Hollands Archief)
Foto Boerderijenbeeldbank
Dirck van Oss in 1583 (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier)
Hendrick van Oss in 1610 (particuliere collectie)
François van Oss (1592-1638) was koopman in Amsterdam, hij leidde het handelshuis dat zijn vader had opgericht. Hij bekleedde ook de functie van hoofdingeland in het polderbestuur van de Beemster tot zijn dood in 1638. Zijn eerste vrouw, Anna Pels, verdronk bij het oversteken van het IJ. François hertrouwde met Sara Wijs (1609-1670), dochter van Guiljaem Wijs, een net als de gebroeders Van Oss uit Antwerpen afkomstige koopman die ook land in de Beemster bezat. Bij haar kreeg François een dochter, Sara.
Wapenbord met kwartieren van Sara van Oss (Rijksmuseum)
Sara van Oss (1632-1704) was de enige erfgenaam van het fortuin van haar vader, en erfde dus al zijn bezittingen, waaronder ook de buitenplaats Zwaansvliet. In 1653 trouwde ze met mr. Joan van Reijgersbergh (1630-1683), afkomstig uit een Zeeuws regentengeslacht. Zijn tante Maria was beroemd geworden toen ze haar man Hugo de Groot in een boekenkist uit slot Loevesteijn, waar hij gevangen zat, wist te smokkelen. Joan was vroedschap van Middelburg en afgevaardigde van Zeeland in de Admiraliteit van Amsterdam. Sinds 1662, nadat Sara van Oss officieel haar geërfde landerijen op haar man's naam had laten overboeken, was Joan hoofdingeland van de Beemster. Enkele jaren later erfde Sara nog meer Beemster kavels uit de nalatenschap van haar oom, dijkgraaf Dirck van Oss junior. Van 1685 tot zijn dood in 1693 was mr. Joan van Reijgersbergh zelf dijkgraaf van de Beemster.
Vier dochters van Joan en Sara werden volwassen: Sara, Johanna Maria, Margareta en Barbara. Van hen trouwde alleen de oudste, de anderen bleven ongehuwd. Sara van Reijgersbergh (1657-1735) trouwde met de Amsterdamse advocaat mr.François Hinlopen. Hij had dezelfde achtergrond, want zijn grootvader was ook een uit Antwepen afkomstige koopman. De boerderij op de DK107 was intussen na de dood van Sara van Oss in 1704 vererfd op de drie ongehuwde zusters Reijgersbergh. De langstlevende van hen was Johanna Maria van Reijgersbergh (1663-1727). Bij testament legateerde Johanna Maria aan haar neef Jacob Hinlopen de boerderij met land aan de Middenweg.
Jacob Hinlopen (1683-1746) was een zoon van Sara van Reijgersbergh en Frans Hinlopen. Hij was domheer van het kapittel in Utrecht. Hij is de eigenaar die in het verpondingsregister staat vermeld. Hij bleef ongehuwd, zodat zijn broer en twee zusters zijn bezittingen in de Beemster verdeelden. Geertruid kreeg de DK107.
Geertruid Hinlopen (1693-1772) was in 1721 getrouwd met Egbert Veen de Wilde (1688-1735). Hij was ook kanunnik van het Domkapittel in Utrecht. Tevens was hij ontvanger van convooien en licenten (belasting op in- en uitvoer) van het gewest Utrecht. Ze woonden in de stad Utrecht, maar gedurende de zomermaanden waren ze als huurder woonachtig op kasteel Middachten. Egbert en Geertruid kregen drie kinderen. Dochter Sara overleed ongehuwd op 21-jarige leeftijd. De jongste zoon Arend Jacob vertrok in dienst van de VOC naar Indië en overleed aldaar. De oudste zoon bleef derhalve als enige erfgenaam van de bezittingen van zijn ouders over en kreeg na de dood van zijn moeder onder andere de boerderij aan de Middenweg.
De familie Veen de Wilde in 1730 (Het Utrechts Archief)
Frans de Wilde (1725-1790) was koopman in Amsterdam. Hij was boekhouder in dienst van de VOC-Amsterdam. Van 1753 tot zijn dood was hij ook hoofdingeland van de Beemster. Zijn huwelijk met Geertruijd Maria Assenborgh bleef kinderloos. Op 4-10-1802 verkochten zijn executeurs-testamentair op een openbare veiling in Amsterdam de ‘huijsmanswoning met stal, wagen-en hooihuis en grasland’ aan Gerrit Rol voor ƒ 12.400.
Gerrit Dirksz Rol (1778-1863) was geboren in Andijk. Hij trouwde met Jaapje Jans de Vries (1778-1835) uit Wervershoof. Hun oudste zoon Dirk kwam ter wereld in Andijk, maar daarna verhuisde de familie naar Oudendijk en later naar Avenhorn. Daar werden nog respectievelijk een zoon en een dochter geboren. In 1830 woonde het echtpaar met hun jongste twee kinderen op de boerderij aan de Middenweg. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was de boerderij nog steeds in bezit van Gerrit Rol. Het huis met erf had een oppervlakte van 246 m² en werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van 45 gulden. Na Gerrits dood kocht zijn dochter Hiltje de mede-erfgenamen uit en werd eigenaar van de boerderij.
Hiltje Rol (1810-1897) trouwde in 1831 te Grosthuizen met Dirk Lourensz Schuitemaker (1808-1890). Hij kwam oorspronkelijk uit Heemskerk. Het paar woonde in Grosthuizen waar hun zeven kinderen werden geboren. De boerderij aan de Middenweg werd in 1869 herbouwd. Na de dood van hun moeder waren de vijf volwassen geworden kinderen aanvankelijk gezamenlijk eigenaar, maar in 1898 werd de boedel gescheiden. De jongste dochter Antje kreeg daarbij de boerderij in de Beemster waar zij al geruime tijd woonde.
Antje Schuitemaker (1843-1922) was in 1866 in Sijbekarspel getrouwd met Klaas Winkel (1845-1872). Na hun huwelijk gingen ze in de Beemster wonen. Ze kregen twee zoons. Twee jaar na de dood van haar echtgenoot hertrouwde Antje met Klaas Zijp (1843-1912). Hij kwam uit Midwoud met zijn eerste vrouw Aaltje Koster. Zij stierf bij de geboorte van hun vierde kind dat een maand later overleed. Klaas en Antje kregen samen nog eens zes kinderen, van wie er drie jong stierven. Bij de Landbouwtelling van 1910 bezat Klaas Zijp ongeveer 28 ha land, waarvan 8 ha in pacht. Zijn veestapel bestond uit 3 paarden, 1 stier, 17 melkkoeien, 11 mestkoeien, 14 kalveren, 60 schapen en 46 lammeren, 10 varkens en 8 kippen. Na zijn dood zette Antje samen met haar jongste zoon Jan het boerenbedrijf voort. Bij de scheiding van haar nalatenschap in 1923 werd Jan de nieuwe eigenaar.
Jan Zijp (1883-1935) trouwde op 43-jarige leeftijd met Geertruida Schonerville, een weduwe uit Hoogeveen. Ze kregen twee dochters en twee zoons. Jan kwam nogal dramatisch aan zijn einde. Hij werd het slachtoffer van een verkeersongeval in november 1935. Bij het verlaten van zijn erf op de fiets werd hij geschept door een auto. Zijn verwondingen waren dermate ernstig dat hij niet naar het ziekenhuis kon worden vervoerd. Hij stierf thuis een dag later.
Al in december hield de weduwe een boelhuis waarbij al het vee en gereedschappen werden verkocht. Eind januari 1936 werd in een openbare veiling in een café te Avenhorn de boerderij met schuur, gierkelder, brongasinstallatie, boomgaard en ruim 8 ha “zeer vruchtbaar weiland, gunstig gelegen aan den Middenweg” verkocht. In mei 1936 vertrok de weduwe Zijp met haar kinderen naar Nieuwer-Amstel.
Bij de veiling werden voor ruim 18.000 gulden Jacob Ruiter, broodbakker te Spierdijk, Johannes Blank, broodbakker te Heerhugowaard, en Paulus Konijn uit Heerhugowaard gezamenlijk eigenaar. Enkele maanden later verkochten zij de boerderij met land alweer.
De nieuwe eigenaar was
Willem Jan Nobel, koopman te Utrecht, voor een kwart en zijn moeder Hillegonda Margaretha Bakker, weduwe van Nicolaas Nobel, voor driekwart. In 1966 verkochten ze het huis met schuur en weiland aan Dirk Schuijtemaker Jacobsz, veehouder uit Grosthuizen. De familie had sinds de jaren ‘30 ook stukken land aan de Zuiderweg in pacht. Dirk was van 1988 tot 1995 voorzitter van het Historisch Genootschap Beemster. In 1987 werd dochter Catharina Schuijtemaker uit zijn huwelijk met Tine Zijp de nieuwe eigenaar. In april 1988 kreeg zij een bouwvergunning voor verbouw van de boerderij onder leiding van architect Cornelis de Jong. Samen met haar man Klaas Jan Leegwater († 2000) heeft hij de boerderij in oude luister hersteld. Momenteel woont Cathrien Schuijtemaker er nog steeds samen met twee van de vier kinderen.
Medio 1998 werd boerderij Zonnehoek op de Rijksmonumentenlijst geplaatst. De stolpboerderij is van het Noord-Hollandse type en combineert sobere neo-classicistische details met streekeigen bouwstijl. De naam Zonnehoek komt in de bronnen niet voor. Onduidelijk is wanneer en door wie deze naam is gegeven.
Tekening van Henk Tol, De Nieuwe Schouwschuit 2006