Middenweg 50
Tijdverblijf

kavel
KK73-74
verpondingsnummer
218
bouwjaar
1667
wijk
C225
OAT nummer
I185
eerste boerderij
vóór 1644
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
De Kleine Kavel 73 aan de westzijde van de Middenweg werd bij de verloting van de grond in 1612 toegewezen aan Boudewijn de Bordes en Jan van der Straten, ieder 4 morgen. Boudewijn de Bordes was een koopman uit Douai in de Zuidelijke Nederlanden die via Londen in Amsterdam terecht was gekomen. Jan Fransz van der Straten (1575-1630) kwam uit Antwerpen en vertrok nadat de stad in handen van de Spanjaarden viel, naar Hamburg. Later vestigde hij zich als koopman in Amsterdam. Beiden verkochten hun halve kavel in 1613 aan Guiljaem Six. Ook hij was een Amsterdamse koopman die oorspronkelijk uit Vlaanderen afkomstig was. Guiljaem Six (1564-1619) kreeg in 1612 50 morgen land in bezit en kocht in 1613 en 1614 nog enkele kavels aan. Hij was laken- en zijdeverver in Amsterdam en woonde op de Oude Turfmarkt. Uit zijn huwelijk met Johanna Wijmer († 1624) werden drie kinderen geboren. De KK73 vererfde op zijn zoon Willem.
Foto Boerderijenbeeldbank
De minuutplan uit 1813 (Noord-Hollands Archief)
Collectie Historisch Genootschap Beemster
De naastgelegen Kleine Kavel 74, ook 8 morgen groot, aan weerszijden van de Oosthuizerweg werd in 1612 toebedeeld aan de broers Daniel, Philippe en Samuel Godin. Zij waren eveneens na de val van Antwerpen naar Amsterdam gevlucht. Daniel en Philippe deden hun aandeel in deze kavel over aan broer Samuel Godin (c. 1566-1633). Hij was koopman in Amsterdam en investeerde in de oprichting van de VOC. Hij had belangen in de walvisvaart en werd bewindhebber van de Noordse Compagnie. Hij was medeoprichter van de West-Indische Compagnie in 1621. Een jaar later kocht hij een erf aan de Keizersgracht en liet daar het huis De Walvis bouwen (nu nummer 107). Samuel Godin trouwde in 1602 in Bremen met Anneken Anselmo (1583-1630), eveneens geboren in Antwerpen. Ze kregen acht kinderen. Twee dochters van hen sloten huwelijken met de familie Trip, van één van hen stamde prinses Diana af. Na zijn dood werd de KK74 getaxeerd op ƒ 1000 per morgen. In 1637 verkochten de erfgenamen de kavel land aan Willem Six voor bijna 8000 gulden op kusting.
De Walvis, nu Keizersgracht 107 (tekening Caspar Philips)
Willem Six (1610-1652) was net als zijn vader lakenverver op de Oude Turfmarkt. Hij werd in 1650 lid van de vroedschap van Amsterdam. Hij trouwde in 1629 met Catalina Hinlopen (1612-1677). Waarschijnlijk liet Willem Six een boerderij op de kavels bouwen. Deze is te zien op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644.
De vijf kinderen van Willem Six verkochten in een openbare veiling in 1665 het huis met de twee kavels land voor ƒ 1445 per morgen aan Pieter Jansz Valehen uit Hoorn.
Pieter Jansz Valehen († 1667) was koopman in Hoorn. Bij zijn huwelijk in 1643 met Annetje Pieters Ackersloot uit Harlingen woonde hij op de Damte. Door het ontbreken van enkele transportregisters is niet helemaal duidelijk wat er vervolgens met de boerderij gebeurde. In de legger staat een overschrijving gedateerd 10-4-1696 op naam van Dirk Reus en zijn kinderen en een transport in 1708 naar Warnar Brugman († 1717), koopman te Amsterdam. Na zijn kinderloos overlijden vererfde de boerderij met land op zijn achterneef Jeronimus Ernst van Bassen.
Jeronimus Ernst van Bassen (1691-1730) woonde aan de Keizersgracht in Amsterdam. Hij trouwde in 1724 met Philippina Albertina Tepell. Ze kregen drie kinderen van wie de twee zoontjes als zuigeling overleden. In september 1730 werd een dochtertje Anna Maria geboren. Jeronimus stierf twee maanden later. Zijn weduwe vertrok met haar dochtertje naar haar geboorteplaats Culemborg en hertrouwde in 1733 met de weduwnaar Jacob de Vrij, advocaat aan het Hof van Utrecht.
Anna Maria Ernst van Bassen (1730-1773) had een aanzienlijk kapitaal geërfd van haar vaders familie. Deze had in de Beemster ook de aan de overzijde van de Middenweg gelegen Kleine Kavel 110 en Binnenkavel 110 in bezit. Anna Maria erfde ook deze kavels, zodat zij in het verpondingsregister als eigenaresse van een boerderij met 36 morgen land staat vermeld. Haar erfenis werd beheerd door haar moeder en stiefvader. Toen Anna Maria in 1749 wilde trouwen, weigerden zij toestemming. Daarbij speelden de enorme schulden van meer dan 80.000 gulden van Jacob de Vrij een belangrijke rol. Jacob bleek een deel van het vermogen van zijn stiefdochter te hebben verduisterd. Zodra Anna Maria zou trouwen, kreeg zij zelf zeggenschap over haar kapitaal en zouden de malversaties aan het licht komen. Anna Maria liet zich door haar geliefde, de Utrechtse rechtenstudent Jacob Jongbloed, schaken. Omdat dit een strafbare daad was, vluchtte het paar naar de vrijstad Buren. Ze liet haar stiefvader in gijzeling nemen vanwege zijn wanbeheer van haar vermogen en startte een rechtszaak. Uiteindelijk werd de zaak geschikt en kregen Anna Maria en Jacob toestemming om te trouwen. Het paar trad op 26 januari 1750 in het huwelijk in Culemborg. Jacob Jongbloed vestigde zich aldaar als advocaat en bekleedde bestuurlijke functies als lid van de Raadkamer en stadhouder van de Culemborgse lenen van prins Willem IV. Van hun elf kinderen werden slechts enkelen volwassen.
In 1790 liet de Nijmeegse advocaat Mr. Arend Anthony Roukens die was getrouwd met Adriana Johanna Jongbloed (1754-1790) mede namens zijn schoonzuster Constantia Catharina Jongbloed en de kinderen van zijn overleden zwager Jeronimus Jongbloed de boerderij met inmiddels ruim 43 morgen land op hun naam overboeken. In een openbare veiling te Amsterdam werd deze voor ƒ 18.100 verkocht aan Klaas Jansz Pappot. Hij sloot op dezelfde dag een tweetal hypotheken van ƒ 10.000 en van ƒ 5500 af.
Het gezin van Arend Anthony Roukens
en zijn vrouw Adriana Johanna Jongbloed
(Museum Het Valkhof, Nijmegen)
Klaas Jansz Pappot († 1799) was al geruime tijd de pachtboer op de boerderij aan de Middenweg. Hij was in 1778 getrouwd met Trijntje Jans Blank († 1790), maar het huwelijk bleef kinderloos. Na zijn overlijden werd een inventaris van zijn nalatenschap opgemaakt. Zijn veestapel bestond uit 31 koeien, 2 vaarzen, 1 os, 1 hokkeling, 3 kalveren, 5 paarden, 13 wintersvarkens, 2 zeugen, 36 overhouders, 33 schapen en 23 lammeren. Verder bezat hij vier boerenwagens, een sjees en een Poolse arrenslee met een berenhuid, boeren-en kaasmakersgereedschappen en lagen er 148 kazen in de koestal. De huisraad staat per vertrek genoteerd. Er waren een bovenkamer, een zomerhuis, een blauwe kamer, een kelder, een spijskamer, een woonhuiskeuken en een voorhuis. Daarin stonden onder andere vijf verschillende kasten met diverse zilveren en porseleinen sierwerken zoals een zilveren trekpot, suikerbak, theebus en brandewijnskom en een Delfts stelletje. Verder bevonden zich de kleren en sieraden van zijn overleden echtgenote zich nog in de boedel, waaronder drie kappen met gouden haken, vier paar gouden haken, een zilveren naaldenkoker, beugel, mesje en zilveren gespen en knopen. Zijn kleren waren wat eenvoudiger en hij bezat slechts 16 gouden hemdsknopen en enkele zilveren knopen. Er bevond zich ruim ƒ 268 aan zilvergeld in huis. Maar de schulden beliepen meer dan ƒ 8300, zodat de erfgenamen genoodzaakt waren het onroerend goed te gelde te maken. De boerderij met de drie kavels KK 73-74 en 110 werd verkocht aan Jan Pater voor ƒ 10.625. Hij betaalde ƒ 5125 contant en nam de hypotheek van 5500 gulden over. De BK110 werd apart verkocht.
Jan Pietersz Pater († 1810) kwam uit Spierdijk. Hij was in 1780 getrouwd met Vrouwtje Klaas Groot (1755-1836) uit de Noordermeer onder Wognum. Na zijn dood erfde zijn weduwe voor de helft de boerderij met land. De andere helft werd gezamenlijk eigendom van de twee nog in leven zijnde kinderen, Neeltje Pater die getrouwd was met Teunis Berkhout, en Klaas Pater. Zij verkochten in december 1810 de boerderij aan Jacob Cornelisz Schoof voor ƒ 15.000.
Jacob Schoof (1783-1843) was geboren in Grootebroek. Hij trouwde in 1804 met Neeltje Klaver (1785-1844), een dochter van bakker Cornelis Klaver uit Middenbeemster en zijn vrouw Geertje van Baar. Het boerenbedrijf liep niet zo best in deze economische crisistijd. Al in 1811 moesten Jacob en Neeltje een lening afsluiten van ƒ 1000 tegen 7% rente op hun boerderij met ruim 23 morgen land. In 1816 verkochten zij het huis met ruim 19 morgen land voor 12.000 gulden aan Simon Jansz Lakeman. De halve kavel KK74 aan de noordzijde van de Oosthuizerweg met het huis werd in 1821 verkocht aan Jacob Jonker. Jacob Schoof verhuisde met zijn gezin naar De Rijp.

Simon Lakeman (1756-1836) was geboren in de Beemster als zoon van Jan Simonsz Lakeman en Guurtje Lourens Hogetoorn. Na zijn huwelijk in 1779 met Lijsbet Claas Kramer († 1826) uit Warder woonde hij op de Beets. Een jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde hij met de weduwe Immetje Pronk (1775-1849) die was geboren in Etersheim. Simon liet het bestieren van de boerderij aan de Middenweg over aan zijn oudste zoon Simon Lakeman de jonge (1782-1826). Uit zijn huwelijk met Neeltje Maartens Boes uit de Purmer werden negen kinderen geboren, van wie er drie jong overleden. Neeltje was hoogzwanger van het laatste kind toen haar man stierf. Ze hertrouwde in 1828 met Jan Faber uit Zwaag. Met hem kreeg ze nog vijf kinderen. Bij de Volkstelling van 1830 woonden Jan en Neeltje met zes kinderen Lakeman en en twee kinderen Faber, een werkman en een dienstbode op de boerderij. Deze was twee jaar later bij de invoering van het Kadaster nog steeds in bezit van schoonvader Simon Lakeman de oude. Het huis met erf had een oppervlakte van 211 m² en werd getaxeerd in klasse 5 met een geschatte huurwaarde van ƒ 57. Na de dood van Simon werd op 29-11-1836 in een openbare veiling de boerderij met land verkocht aan Jan de Lange. Hij betaalde er naar verluid ƒ 12.243 voor. Jan Faber vertrok met vrouw en kinderen naar Oosterblokker.
Jan de Lange (1799-1864) kwam uit Ilpendam. Hij trouwde in 1826 met Aaltje de Wit (1799-1877) uit Katwoude. Van hun zeven kinderen werden slechts drie dochters volwassen. De veestapel bestond bij de Landbouwtelling van 1854 uit 2 paarden, 16 koeien, 3 kalveren, 75 schapen en 1 geit. Aaltje de Wit erfde na de dood van haar man de boerderij. Bij de scheiding van haar nalatenschap in 1877 kwam deze in bezit van de jongste dochter Cornelia.
Cornelia de Lange (1841-1935) en haar man Gerrit Pronk (1844-1871) leidden het boerenbedrijf sinds hun huwelijk in 1867. Gerrit was geboren in Wognum. Ze kregen één zoon, Johannes. Een jaar na de dood van haar eerste man hertrouwde Cornelia met Sijvert Schaper (1840-1892) uit Hoogkarspel. Ook uit dit huwelijk werd slechts één zoon geboren die maar twee maanden oud werd.
In 1884 werd bij de boerderij een nieuwe schuur gebouwd ter vervanging van de twee jaar eerder gesloopte schuur. Nadat Cornelia voor de tweede maal weduwe was geworden, verhuisde ze naar de Nieuwe Gracht in Purmerend. Zoon Johannes nam het boerenbedrijf over maar zijn moeder bleef eigenaresse. Johannes Pronk (1868-1934) trouwde in 1892 met Anna Catharina Klaver (1871-1952) uit de Wijdewormer. Uit dit huwelijk werden zes zoons geboren.
Johannes Pronk legde zich onder meer toe op het fokken van varkens, zo blijkt uit diverse advertenties in de kranten waarin hij deze aanbood. Hij staat in de Landbouwtelling van 1910 vermeld als landbouwer met 23 hectare gepacht land. Hij bezat 5 paarden, 16 melkkoeien, 12 mestkoeien, 80 schapen en 46 lammeren, 1 geit, 18 varkens, 10 kippen en 8 kuikens. Omdat Johannes een jaar voor zijn moeder overleed, werd hij nooit eigenaar. De boerderij vererfde op zijn weduwe.
In 1938 nam zoon Adrianus de bedrijfsvoering op zich. Anna Catharina Klaver verhuisde naar Purmerend. Na haar dood kregen de drie nog in leven zijnde zoons de boerderij aan de Middenweg gezamenlijk in eigendom. Cornelis Pronk was veehouder aan de Rijperweg en zijn jongere broer Severinus Pronk boerde in de Wijdewormer. Bij nadere scheiding in 1954 werd Adrianus Pronk alleen eigenaar.
Adrianus Pronk (1894-1966) trouwde in 1927 met Siegberta Maria Bijvoet (1901-1988) uit Ilpendam. Na hun huwelijk woonden ze eerst in de Wijdewormer waar hun twee oudste kinderen werden geboren. In 1931 verhuisden ze naar Middenbeemster waar nog een zoon ter wereld kwam. Adrianus kreeg een 1950 een bouwvergunning voor de aanleg van twee bruggen gewapend beton over de wegsloten om zijn aan weerszijden van de Middenweg gelegen landerijen te kunnen bereiken. Zijn weduwe erfde de boerderij met landerijen. In 1975 werden een wc en douche in de woning geplaatst. Na haar dood werden zoon Johannes Nicolaas Pronk (1928-2003) en dochter Margaretha Cornelia Divera Pronk (1930-2002) eigenaar van de boerderij met bijna 10 ha land. Jan en Gré Pronk kregen in 1985 een vergunning voor de bouw van een veldschuur.

Boerderij Tijdverblijf is van het Westfriese type met de darsdeuren aan de voorzijde. De gevelsteen in de timpaan vermeldt het jaartal 1667. Het witte pleisterwerk op de voorgevel dateert van het einde van de 19e eeuw. De boerderij staat op de Provinciale Monumentenlijst.