Middenweg 65
Paulina Hoeve

kavel
KK76-77
verpondingsnummer
225
bouwjaar
vóór 1832
wijk
C237
OAT nummer
I157
eerste boerderij
vóór 1644
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
De Kleine Kavel 66 aan de westzijde van de Middenweg was een van de vele kavels die bij de verloting op 30 juli 1612 in bezit kwam van de gebroeders Van Oss. Hendrick en Dirck van Oss waren de grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster en verkregen samen ongeveer eenzevende van de totale oppervlakte. In de eerste jaren na 1612 kochten ze nog veel land aan. De broers kwamen oorspronkelijk uit Antwerpen, maar waren na de herovering van deze stad door de Spanjaarden naar het noorden gevlucht. Ze vestigden zich als kooplieden in Amsterdam. In naam deden de broers alles samen, in de praktijk was Hendrick de ‘stille vennoot’ op de achtergrond terwijl Dirck de ondernemer was. Hij richtte zijn aandacht niet alleen op de aloude handelsgebieden (Oostzee, Frankrijk, Middellandse zee), maar vooral ook zocht hij nieuwe markten in de Levant, het Verre Oosten en Rusland. Dirck van Oss (1556-1615) behoorde tot de eerste Hollanders die via Archangel met de Russen in contact kwam. Hij stak geld in één van de eerste vloten die naar Indië gingen in de jaren 1590. Toen op initiatief van Van Oldenbarneveldt de VOC werd opgericht in 1602 kochten Hendrick en Dirck van Oss voor ƒ 47.000 aan aandelen. Dat leverde hen in de jaren daarna behoorlijke winsten op waarvoor ze op zoek gingen naar investeringsmogelijkheden. Die vonden ze in de Beemster. Bij zijn dood in 1615 bezat Dirck een vermogen dat wordt geschat op bijna 3 miljoen gulden.
Foto Boerderijenbeeldbank
De minuutplan uit 1813 (Noord-Hollands Archief)
Particulier bezit
Dirck en Hendrik van Oss
De KK66 was echter één van de kavels die de gebroeders vrij snel weer van de hand deden. In 1614 werd deze verkocht aan Hans Sweers, koopman te Hoorn. Hij was eveneens één van de investeerders in de droogmaking van de Beemster en verwierf in 1612 onder meer de naastgelegen Kleine Kavel 67. Omdat hij een compagnonschap had met zijn zwager Willem Pietersz van Neck, bracht hij beide kavels hierin onder. Met de dood van Willem kwam aan de gezamenlijke onderneming een einde. In 1626 werden de bezittingen tussen Hans en de kinderen van Willem verdeeld, waarbij Hans onder meer de KK66-67 kreeg. Op de zuidoosthoek van de KK67 had Hans Sweers al direct na de droogmaking een huisje laten bouwen dat hij in 1613 met een erf van 100 roeden verkocht aan Jan Jansz Passement. Een jaar later verkocht deze het huisje aan Jurriaen Asmis die er een huis naast zette. Het zuidelijkste huis stond al enkele jaren later bekend onder de naam De Witte Kan. In het noordelijkste van deze twee huizen kwam een smidse die later de naam De Bonte Koe kreeg. Deze smederij bestond in ieder geval nog bij de invoering van het Kadaster in 1832. Op de KK66 was voor 1644 al een boerderij gebouwd. Op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit dat jaar zijn zowel de boerderij als de twee huisjes zichtbaar.
Hans Sweers had ook geïnvesteerd in de kamer Hoorn van de VOC en werd in 1618 bewindhebber. Hij zat eenmaal in de schepenbank van Hoorn, was regent van het weeshuis en werd in 1626 muntmeester van de Westfriese Munt. Zijn zoon Dirck (1602-1626) trad in 1624 in het huwelijk met Alida Merens (1605-1679), een dochter van Jan Maertsz Merens die eveneens investeerde in de VOC en de droogmaking van de Beemster. Als jonge weduwe met een zoontje hertrouwde zij in 1630 met Reijnier Teding van Berkhout. Na haar overlijden verkochten haar erfgenamen de boerderij met land aan de Middenweg aan Jan Pietersz Affeth en Pieter Jansz Bosch uit Hoorn. De helft van Jan kwam in 1683 in bezit van zijn enige dochter Martijntje en haar man Cornelis Pietersz Glas die het direct doorverkochten aan Pieter. In 1699 volgde een overboeking op naam van Jan Jacobsz Mol uit Jisp.
Jan Jacobsz Mol (1656-1728) behoorde tot een vooraanstaande doopsgezinde familie uit Jisp die zich onder andere bezig hield met de walvisvangst. Vanwege deze onderneming was Jan een van de directeuren van de Hollandsche Groenlandsche Visscherije. Hij bezat nog meer landerijen in de Beemster en kocht in 1717 en 1725 stukken weiland aan de oostzijde van de Middenweg met de bijbehorende boerderij die de naam Klein Molwijk kreeg. Uit zijn eerste huwelijk met Eefje Louris († 1690) werden in ieder geval drie zoons volwassen: Louris, Zeger en Jacob.
Walvisvangst, Abraham Storck (Rijksmuseum)
Bij de scheiding van de nalatenschap van Jan Jacobsz Mol in 1731 waren zij alle drie overleden zodat hun kinderen de landerijen van hun grootvader erfden. Louris Jansz Mol (1678-1728) was in 1700 getrouwd met Impje Cornelis Heertjes (1678-1726). Hun twee kinderen Cornelis en Eefje erfden de boerderij aan de westzijde van de Middenweg met de naam Molwijk. Eefje Mol (1706-1753) trouwde met Jan Maartensz Mol en kreeg één zoon, Lourens. Cornelis Mol alias Seylemaker verkocht zijn helft in 1756 aan zijn neef Lourens. Twee maanden later trad Lourens Jansz Mol (1736-1775) in het huwelijk met Grietje Cornelis Groot. In 1767 verkocht hij de boerderij met 16 morgen grasland voor ƒ 8000 aan Maartje Gerbrants Doets.
Maartje Doets († 1775) was een dochter van Gerbrant Jansz Doets en zijn tweede vrouw Geertje Davids. Zij was getrouwd met Reijer Doedsz Doets († 1762) en bezat nog meer landerijen in de Beemster, waaronder boerderij De Groene Poort. Een jaar na haar overlijden verdeelden de drie nog in leven zijnde dochters de landerijen, waarbij de jongste dochter Aaltje onder meer de boerderij op de KK66-67 verkreeg.
Aaltje Reijers Doets († 1806) trouwde in 1768 met Jacob Jacobsz Beets (1746-1818). Ze woonden waarschijnlijk op de boerderij aan de Middenweg gezien de inschrijving in het begraafregister van enkele jonggestorven kinderen. Jacob Beets erfde na de dood van zijn eerste vrouw de boerderij. Hij hertrouwde in 1813 met Grietje Claas Groot. Zijn zoon Jacob Beets de jonge kocht de boerderij uit de nalatenschap van zijn vader.
Jacob Beets de jonge (1770-1831) was in 1793 getrouwd met Neeltje Cornelis Edel (1771-1845) uit de Purmer. Ze kregen zes kinderen van wie er twee jong overleden. Bij de Volkstelling van 1830 woonden Jacob en Neeltje nog op de boerderij. Hun enige zoon Jacob woonde met zijn vrouw Trijntje de Jong en hun pasgeboren dochtertje Wolmet bij hen in, evenals de 97-jarige Jacob van Dort uit Jisp. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 staat Jacob Beets nog als eigenaar vermeld hoewel hij het jaar daarvoor was overleden. Het huis met erf had een oppervlakte van 424 m² en werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45.
Neeltje Cornelis Edel was na de dood van haar man de eigenaresse van de boerderij. Bij de boedelscheiding na haar overlijden werd deze toebedeeld aan de oudste dochter Aaltje Beets.
Aaltje Beets (1793-1867) trouwde in 1812 met Gerrit de Graaf (1792-1868). Hij was timmerman in Middenbeemster en woonde in het huis aan het Franse pad (Lindengracht) dat zijn vader Hendrik in 1805 van de diakenen van de Hervormde kerk had gekocht. Hun kinderen verkochten in 1870 in een openbare veiling de boerderij aan Cornelis Benjamin. Hij betaalde er naar verluid bijna 42.000 gulden voor.
Cornelis Benjamin (1808-1873) hertrouwde na de dood van zijn eerste vrouw Ariaantje Focker (1808-1838) in 1839 met Lijsbet Hartog (1817-1880), dochter van de doopsgezinde predikant Jan Hartog. Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren van wie er vier volwassen werden. Na zijn dood kwam de boerderij in gezamenlijk eigendom van de weduwe en de kinderen. Lijsbet verhuisde in 1880 naar Purmerend waar ze een jaar later in het huwelijk trad met de 70-jarige in Aalsmeer geboren boomkweker Willem Maarsen. Ze woonden aan het Venedie. Toen zij de boerderij verliet, werd de nalatenschap van Cornelis nader verdeeld en kreeg de jongste zoon Klaas de boerderij.
Klaas Benjamin (1858-1942) ging er na zijn huwelijk met Aaltje Doets (1860-1911) boeren. Zij was de oudste dochter van Jacob Doets en Neeltje Scheringa en werd een maand voor hun huwelijk geboren. Klaas en Aaltje kregen drie dochters en drie zoons. Op een openbare veiling op 23 december 1897 verkocht Klaas de “Huismanswoning met Schuur, Erf en diverse percelen vruchtbaar Weiland”. Eind april 1898 werden ook zijn vee, wagens en gereedschappen publiek verkocht. De kalveren werden aangeprezen als nakomelingen van de stier van de Beemster Veefokvereniging, maar de zwarte merrie werd omschreven als “aftands”. Klaas Benjamin vertrok met zijn gezin naar Apeldoorn. Een jaar later waren ze weer terug in de Beemster en ging Klaas als arbeider aan het werk. In 1901 verlieten Klaas en Aaltje definitief de Beemster en vestigden zich in Schoten bij Haarlem waar Aaltje overleed. Uiteindelijk kwam Klaas in Zaandam terecht waar hij op de hoge ouderdom van 84 jaar stierf.
Franciscus Theodorus Everard was voor ƒ 23.150 de nieuwe eigenaar. Hij was makelaar in effecten in Amsterdam. In 1891 was hij getrouwd met Maria Theresia Hubertina Paulina Rohling. Mogelijk is zij de naamgever van de boerderij. In mei 1898 kwam Klaas Schagen (1873-1939) als pachtboer op de boerderij. Hij was geboren in Sloten. Hij was enkele weken eerder getrouwd met Geertruida Catharina van Bohemen uit de Haarlemmermeer. Ze kregen vier dochters en vijf zoons, twee van hen overleden jong. In de Landbouwtelling van 1910 staat Klaas Schagen vermeld als landbouwer met 13 hectare gepacht land en een veestapel bestaande uit 2 paarden, 8 melkkoeien, 1 kalf, 5 lammeren, 3 varkens met 18 biggen en 8 kippen. Toen de eigenaar in 1919 de boerderij met land te koop aanbood, kocht Klaas deze voor ƒ 38.000. Maar in 1926 moest hij het alweer verkopen. Koper was Franciscus Josephus ten Bos. Klaas Schagen werd weer pachtboer. Hij teelde onder meer verschillende aardappelrassen.
Klaas en Geertruida Schagen (particuliere collectie)
Het gezin Schagen voor de boerderij (particuliere collectie)
Franciscus Josephus ten Bos (1876-1959) was mede-firmant van de Almelose textielfabriek Ten Bos. Hij en zijn oudere broer Johannes Lucas ten Bos kochten in de jaren ‘20 en ‘30 verschillende boerderijen in de Beemster op. In 1954 verkreeg hij een bouwvergunning voor de verbouwing van de woning waarbij een aanbouw werd geplaatst. Op dat moment was de jongste zoon van Klaas, Jacobus Cornelis Schagen (1914-1986) de pachter. Hij kocht de boerderij in 1959 van de erfgenamen van Franciscus Josephus ten Bos. Hij was getrouwd met Maria Veronica Ruijter (1918-2011) die familie was van de bekende Westfriese veefokker Joris Ruijter. In 1982 verkocht hij de landerijen en behield alleen het huis. Dat werd drie jaar later gekocht door twee van zijn 14 kinderen. Zij kregen een bouwvergunning voor een verbouwing en splitsing van de woning. Antonia Maria Schagen en haar man Dirk Kloosterboer bewonen sindsdien de ene helft en Leonardus Jacobus Maria Schagen bewoont met zijn gezin de andere helft. Leo Schagen is werktuigbouwkundig constructeur en is sinds 2002 gemeenteraadslid van Beemster. Hij zit ook in het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Jacobus en Maria Schagen (particuliere collectie)
Leo en Annet Schagen met hun eerste twee kinderen (particuliere collectie)