Middenweg 70
Beemsters Midden

kavel
KK60-61
verpondingsnummer
227
bouwjaar
1932
wijk
C238
OAT nummer
I133
eerste boerderij
circa 1620
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
De minuutplan uit 1813 met het huis (I133) en de boomgaard (I134) gelegen aan de Oosthuizersloot, rechts de Middenweg (Noord-Hollands Archief)
De boerderij en de eendenkooi op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644
In oktober 1628 lieten Garbrant Brouwer en Allert Bartrinck hun gezamenlijke Beemster landerijen taxeren, waarbij het huis en de eendenkooi en de Kleine Kavels 60 en 61 werden geschat op ƒ 13.200. Enkele maanden later verdeelden zij de landerijen omdat zij hun compagnieschap beëindigden. Allert kreeg de halve kavel BK 106 en de KK 69 en aan Garbrant vielen de KK 60-61 toe. Ter compensatie van het waardeverschil moest hij aan Allert nog ƒ 950 betalen.
Johannes Brouwer (1628-1700), de enige zoon van Garbrant Brouwer, erfde zijn vaders bezittingen. Hij trouwde in 1663 met Wijbregta van Hartsbeek en verhuisde later met zijn gezin naar Alkmaar. Hij liet de boerderij in de Beemster na aan zijn zoons Gerbrand en Isaac Brouwer.
Gerbrand Brouwer (1664-1712) werd in 1702 raad in de vroedschap van Alkmaar. In 1704 werd hij gekozen in de schepenbank en een jaar later gecontinueerd als president-schepen. Hij trouwde in 1707 met Eva van der Does (1676-1717), weduwe van mr. Nicolaas Schagen die eveneens vroedschap van Alkmaar was geweest. Het huwelijk bleef kinderloos. Het echtpaar gebruikte in de boerderij een heerschapskamer. Omdat Gerbrand Brouwer geen directe erfgenamen had, werd zijn nalatenschap belast in de Collaterale Successie. Bij de opsomming van zijn eigendommen staat zijn helft in de huismanswoning “Vogelkoy” aan de Middenweg in de Beemster vermeld voor een bedrag van ƒ 2400. Na de dood van haar man erfde Eva van der Does zijn helft in de Beemster landerijen. In oktober 1716 liet zij deze overboeken op naam van haar zwager.
Isaac Brouwer (1668-1733) woonde in Alkmaar aan de noordzijde van de Langestraat. Hij trouwde achtereenvolgens met de burgemeestersdochter Geertruida Sijms en met Catharina Elisabeth van Diepenbroeck, maar kreeg geen kinderen. Zijn nicht Elisabeth was zijn erfgename.
Elisabeth Brouwer († 1749) trad in 1725 in het huwelijk met Caspar Grijpstroo, een meestertimmerman. Uit dit huwelijk werd één zoon geboren. Als weduwe hertrouwde ze in 1734 met Adriaan Broers die binnen een paar maanden stierf. Volgens de Personele Quotisatie, een soort inkomstenbelasting uit 1744, was Elisabeth Brouwer rentenier en had ze één dienstbode. Haar jaarlijkse inkomsten werden geschat op ƒ 2500. Haar enige zoon Cornelis erfde haar bezittingen.
Cornelis Grijpstroo (1726-1774) was in 1747 op 21-jarige leeftijd getrouwd met de 11 jaar oudere Maartje Buur (1715-1789). Haar vader was Cornelis Arentsz Buur die herbergier in De Valk was. Na de dood van Maartje’s broer Adam namen zij en haar man de herberg over. Maar kennelijk gingen de zaken niet zo goed want nadat zij in 1775 de boerderij aan de Middenweg op haar naam had laten overboeken, nam zij verschillende malen hypotheken op dit eigendom. In maart 1780 verkocht zij de boerderij met de bijbehorende landerijen aan Johannes Claasz Marees. Hij betaalde ƒ 7800 contant en nam voor ƒ 7000 de hypotheken over die Maartje Buur op dit bezit had genomen. In de transportakte wordt voor de eerste maal als naam van de boerderij Beemsters Midden genoemd.
Johannes Marees (1741-1800) was waarschijnlijk de pachtboer, want in de doop-, trouw- en begraafregisters is zijn adres Middenweg. Uit zijn huwelijk met Maartje Gerrits Cleen († 1799) werd maar één zoon geboren. In een openbare veiling op 19 mei 1796 werd de boerderij met 16 morgen land voor slechts ƒ 6800 verkocht aan Cornelis Peereboom de Jonge, houtkoopman op de Beets. Nog geen twee jaar later deed hij de boerderij alweer van de hand voor ƒ 7500. Koper was Pieter Jacobsz Beets. Hij betaalde 5000 gulden contant en leende het resterende bedrag bij de verkoper.
Pieter Beets († 1802) stamde uit een doopsgezinde familie die zich al in de tweede helft van de 17e eeuw had gevestigd. Hij trouwde in 1782 met de eveneens doopsgezinde Hillegond Dirks Doets (1755-1826). Ze kregen drie dochters. De weduwe die de boerderij geërfd had, liet deze in oktober 1803 veilen. Klaas Hoogendijk uit Heerhugowaard kocht hem voor ƒ 7684. Zijn zoon Jan ging er boeren en erfde later de boerderij.
De boerderij voor 1932 (Collectie Historisch Genootschap Beemster)
Bij de verloting van de grond van de Beemster op 30 juli 1612 in het Slot te Purmerend kwam de Kleine Kavel 60 aan de Middenweg in gezamenlijk bezit van Abraham Abelijn, Jasper van Dortmond en Joost Pietersz. Binnen enkele maanden verkochten zij hun land aan Pieter Theunen, een Haarlemse koopman. Hij kocht begin 1614 ook de naastgelegen Kleine Kavel 61 die was toebedeeld aan de gebroeders Van Oss. In 1620 deed hij beide kavels, samen met de tegenoverliggende noordelijke helft van de Binnenkavel 106 die hij in 1612 had verkregen, weer van de hand aan Garbrant Brouwer († 1640) en Allert Bartrinck († 1643). Deze Amsterdamse kooplieden uit de Warmoesstraat deden vaker gezamenlijk aankopen. Zo kochten ze in 1624 twee huizen aan de Herengracht (nu 116-118). Waarschijnlijk hebben zij nog in 1620 opdracht gegeven voor de bouw van een boerderij en de aanleg van de eendenkooi die zich tot het midden van de 18e eeuw op de Kleine Kavel 60 bevond. Er bestonden in de Beemster in de 17e en 18e eeuw verschillende eendenkooien die kort na de droogmaking waren aangelegd. De omringende meren waren nog niet droog en de waterhuishouding van de Beemster was in het begin nog niet optimaal, zodat grote delen vrij drassig waren. Dat was een goede leefomgeving voor watervogels. In eendenkooien werden voornamelijk wilde eenden gevangen. Er was veel vraag naar, ook werden veel wilde vogels naar het buitenland geëxporteerd. Daarom was een eendenkooi, hoewel de aanleg vrij kostbaar was, een rendabele investering. Maar in de loop van de 18e eeuw veranderde het voedselpatroon en werden steeds minder vogels gegeten. De afzetmogelijkheden namen af en de meeste eendenkooien werden opgeheven.
Eendenkooi
Jan Hoogendijk (1765-1836) was geboren in Heerhugowaard en woonde na zijn huwelijk met Grietje Pieters Ruijter († 1808) in Hensbroek. Daar kregen zij vier kinderen en nadat ze naar de Beemster verhuisd waren, werden nog twee dochters geboren. Jan hertrouwde in januari 1810 met de 21 jaar jongere Geertje Zijp († 1854) uit de Schermer. Met haar kreeg hij nog zeven kinderen, van wie er één overleed. In de Volkstelling van 1830 woonde Jan Hoogendijk er met zijn vrouw en nog vijf thuiswonende kinderen. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 werd de boerderij met een oppervlakte van 387 m² getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45.
Bij de boedelscheiding in februari 1837 kregen Geertje Zijp, haar drie stiefdochters en haar eigen drie dochters samen de boerderij in eigendom. Een maand later verkochten zij deze aan Dirk en Jan Wijertsz Ruijter. Zij betaalden er ƒ 12.000 voor.
Dirk en Jan Ruijter waren beiden schilder van beroep. Ze woonden schuin tegenover elkaar aan de Rijperweg in Middenbeemster. Dirk Ruijter (1793-1864) had uit zijn huwelijk met Grietje Dijkmeijer uit Buiksloot geen kinderen. Jan Ruijter (1791-1846) trouwde met Trijntje Weijman (1803-1892) uit Graft. Uit dit huwelijk werden zeven kinderen geboren. Trijntje erfde na de dood van haar man zijn helft en bleef met haar zwager gezamenlijk eigenaar van de boerderij tot zij in 1853 Dirk uitkocht. Kort daarna verkocht zij de boerderij aan Klaas Pietersz Willig.
Klaas Willig (1812-1875) bewoonde een boerderij aan de Oostdijk nabij Hobrede. Hij was in 1835 getrouwd met Grietje Hoogland (1811-1861) en kreeg met haar zes kinderen. In 1864 sloot hij een tweede huwelijk met Neeltje Otter, weduwe van Jan Hes, uit Avenhorn. Bij de scheiding van zijn nalatenschap erfde zijn zoon Simon de boerderij aan de Middenweg.
Simon Willig (1840-1910) woonde daar al sinds zijn huwelijk in december 1864 met Antje Beets (1843-1931). Er werden zeven kinderen geboren. In de Landbouwtelling van 1910 staat Simon Willig vermeld als eigenaar van ruim 20 ha land, waarop hij 2 paarden, 2 stieren, 18 melkkoeien, 1 mestkoe, 12 kalveren, 33 schapen en 38 lammeren, 10 varkens, 30 kippen en 20 kuikens hield. Hij overleed enkele maanden later.
Simon Willig met zijn vrouw en jongste zoon voor de boerderij,
circa 1905 (Collectie Historisch Genootschap Beemster)
Als weduwe kreeg Antje Beets de boerderij in eigendom. Zij liet een jaar na het overlijden van haar man een openbare verkoop houden, waarbij een merrie en enkele wagens, een hondenkar met hond, 10 kippen, boeren- en melkgereedschappen, hooi, brandhout en takkenbossen werden aangeboden. In maart 1912 vestigde zoon Pieter Willig (1874-1942) zich als pachtboer op boerderij Beemsters Midden. Hij was na zijn huwelijk in 1902 met Maartje Bakker (1875-1974) uit Oosthuizen in de Schermer gaan wonen. Daar werden ook hun twee zoons geboren. In de zomer van 1923 was Pieter Willig één van de eerste veehouders uit de Beemster die werden getroffen door een grote uitbraak van mond-en-klauwzeer. Na de dood van zijn moeder werd de boerderij met ruim 16 ha weiland geveild in Hotel Boon te Purmerend. Koper was voor ƒ 45.296 Engbertus Johannes Everts, reserveluitenant en kandidaat-notaris te Breda. Nog geen drie maanden later verkocht hij het onderhands aan Gerrit Kamphuijs, koopman in Bloemendaal. In mei 1932 vertrok Pieter Willig naar de Zuiderweg en kwam Albert Dirk Wijnberg als pachter op de boerderij. Hij verhuisde met zijn vrouw Jantje Noome van de Noorderweg in de Wijdewormer naar de Beemster.
Op 21 juli werden zij getroffen door een grote brand die waarschijnlijk door hooibroei was ontstaan. De knecht die ‘s avonds laat thuis kwam, zag de rook en waarschuwde de familie. Hoewel de brandweer snel ter plaatse was, stond de boerderij toen al in lichterlaaie. Hij brandde tot de grond toe af, alleen een schuur en een klamp hooi konden worden gered. De eigenaar liet nog geen twee weken later de herbouw ondershands opdragen aan aannemer Braak uit de Beemster. De officiële bouwvergunning was gedateerd 16 september 1932.
In 1937 werd de nieuwe boerderij verkocht aan Klaas Raat (1891-1964), een veehouder die verderop aan de Middenweg op boerderij Leeghwater woonde. Hij was in 1913 getrouwd met Antje de Geus (1891-1963) uit Oterleek. Ze kregen twee kinderen. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1939 werd hij raadslid namens de lokale partij Gemeentebelangen. Bij de scheiding van de nalatenschap van hun ouders kreeg zoon Klaas boerderij Leeghwater en dochter Guda boerderij Beemsters Midden.
Guda Raat (1914-1993) trouwde met Johannes Machiel Bakker (1918-1964), zoon van een veehandelaar uit Purmerend. Hun zoon Pieter Mattheus Bakker en zijn vrouw Pieternella Spaans kochten begin jaren ‘80 de boerderij met de bijbehorende weilanden. Er werden bouwvergunningen verleend voor een melklokaal, de verbouwing van de veestal en de bouw van twee kapschuren. Inmiddels is het boerenbedrijf overgenomen door zoon Johan Bakker.