Noorddijk 2
Loeffendijk, voorheen De Steenplaats

kavel
DK100
verpondingsnummer
393
bouwjaar
onb. (voor 1832)
wijk
C182
OAT nummer
B8
eerste boerderij
ca 1620
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Bij de verloting van de grond van de zojuist drooggevallen Beemster op 30 juli 1612 in het Slot van Purmerend werd de Dijkkavel 100 aan twee eigenaren toebedeeld. Jacob Wynantsz kreeg 5 morgen en Thomas Blommaert kreeg 15 morgen. Een jaar later deed Jacob zijn 5 morgen over aan Thomas. Thomas Blommaert was een uit de zuidelijke Nederlanden afkomstige koopman in Haarlem. Na de overstromingsramp van 1610 was hij toegetreden tot de groep investeerders in de droogmaking van de Beemster. Hij was derhalve hoofdingeland. In 1614 werd mr. Nicolaas Carbasius uit Hoorn de eigenaar van de gehele kavel.
Nicolaas Carbasius stamde uit een oude Hoornse regentenfamilie die oorspronkelijk Pottebacker heette. Nicolaas vader had echter na een ruzie met zijn broer zijn naam veranderd in Jan Claesz Seylemaker wat later verlatiniseerd werd tot Carbasius. Nicolaas was secretaris, schepen en weesmeester van Hoorn. Hij was ook de bouwheer van de boerderij op de DK100 want bij de verkoop in november 1630 is er sprake van een huis met boomgaard en land.
De boerderij op de minuutplan uit 1813 van het Kadaster (Noord-Hollands Archief)
Foto Jan Jobsis
De boerderij in 1644
De naam staat op de gevel (foto Jan Jobsis)
Voor ƒ 20.000 werd Anthonis Anthonisz uit Hoogkarspel de nieuwe eigenaar. Hij sloot een lening voor het gehele bedrag af ten gunste van de verkoper. Zijn zoon Jan Teunisz erfde de boerderij. Toen diens dochter Marij Jans in 1668 ongehuwd overleed werd haar aandeel getaxeerd op ƒ 800 per morgen. Bij deze taxatie wordt voor de eerste maal de naam De Steenplaats genoemd. Jan Teunisz verkocht de boerderij in 1678 aan Pieter Lourisz, kaaskoopman te Hoorn. Na zijn dood in 1683 was zijn dochter Marijtje Pieters zijn enige erfgenaam. In 1698 kocht Jacob van Bronckhorst de boerderij van haar erfgenamen.
Twee jaar later verkocht hij het alweer aan Jan Cornelisz Bakker, Pieter en zijn broer Outger Taamsz uit de Beemster. In 1701 deed Jan zijn portie over aan de broers Taamsz. Pieter overleed in 1707 en Outger vijf jaar later. Bij beiden staat in het begraafregister vermeld dat zij “bij Oostmijsen” woonden. Het dorpje Oostmijzen lag aan de andere kant van de ringdijk in de Mijzerpolder. Ze werden begraven in Grosthuizen. De erfgenamen van Outger waren zijn zuster Anna die in Grosthuizen woonde, zijn neef Cornelis Pietersz Kool in Wognum, een zoon van zuster Neel, en het enige kind van broer Pieter, Anna.
Anna Pieters was in 1709 getrouwd met Claas Jansz de Wit en had de helft van de boerderij al van haar vader geërfd. Nu kreeg ze ook tweederde in de helft van haar oom. Cornelis Kool kreeg eenderde en verkocht die direct voor ƒ 1968,65 aan Claas en Anna. Claas Jansz de Wit stierf in 1723 en werd begraven in Avenhorn. Na de dood van Anna lieten hun twee kinderen, Maartje en Pieter, in 1741 de boerderij met land op hun beider naam overboeken.
Maartje Claas de Wit (†1742) was getrouwd met Jan Lourisz. Hij nam direct een hypotheek van ƒ 1100 tegen 4% rente op hun helft. Toen Maartje eind december 1742 overleed, bleef Jan met drie dochtertjes van vier, drie en één jaar oud achter. Voor de weeskamer van de Beemster bewees hij met goedvinden van de voogden, onder wie zijn zwager Pieter, aan elk kind 800 gulden. In 1759 verkocht hij als weduwnaar en erfgenaam van Maartje zijn helft aan zijn zwager voor ƒ 4626,35.
Pieter Claasz de Wit (†1781) leende hiervoor ƒ 2400 ten laste van de kinderen van Jan en Maartje en nam op dezelfde datum nog twee hypotheken van respectievelijk 2000 en 1000 gulden. In de jaren daarna nam hij tot vijf maal toe hypotheken ten laste van de boerderij met land aan de Noorddijk voor in totaal ƒ 6000. Uit zijn huwelijk met Aaltje Jans werden vijf kinderen volwassen. Gezamenlijk werden zij eigenaar van de boerderij. Op 18-9-1781 verkochten zij in een openbare veiling in de Beemster de boerderij met land. Koper werd Pieter Chaisman voor ƒ 13.020.
Pieter Chaisman (†1790) woonde in het noorden van de Beemster nabij Beets. Zijn drie kinderen verdeelden zijn nalatenschap in 1791 waarbij de kinderen van zijn dochter Guurtje de boerderij aan de Noorddijk kregen. Guurtje Chaisman was in december 1788 overleden. Zij was getrouwd met Sijmon Huijgsz Hardebol (†1809). De weeskamer van de Beemster stelde als voogden over de twee minderjarige dochters, Trijntje van 13 jaar en Pietertje van 5 jaar, broer Cornelis Chaisman en zwager Klaas Kunst aan. Sijmon legde als moederserf een bedrag van 6000 gulden vast. Na haar huwelijk in 1803 met Tijmon Bakker kreeg Pietertje daarvan de helft. In 1810 werd haar bij de scheiding van de nalatenschap van Sijmon een kwart in de DK100 toebedeeld. Eerder in 1804 had haar zuster Trijntje en haar man Evert Rus al voor ƒ 2500 haar kwart aan Pietertje Hardebol (1783-1860) verkocht.
Tijmon Bakker (1780-1859) was geboren aan de Middenweg op boerderij Regt door Zee van zijn ouders Jacobus Bakker en Neeltje Groot. Na zijn huwelijk ging hij boeren op De Steenplaats. Tijmon en Pietertje kregen zeven kinderen. In de Volkstelling van 1830 woonde het echtpaar Bakker er met hun drie jongste kinderen, een werkman en een dienstbode, nichtje Grietje Rus. Twee jaar later werd bij de invoering van het Kadaster de boerderij getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. In 1860 werd de boerderij verkocht voor ruim 30.000 gulden.
Aafje Ruiter (1833-1889), een weduwe, was de nieuwe eigenaar. Ze was geboren in Berkhout en in 1851 getrouwd met Gerrit Spil (1831-1860) uit de Wogmeer. Ze kregen vier kinderen. In 1861 hertrouwde Aafje met Simon Buijs (1830-1886), een weduwnaar uit Ursem. Uit dit huwelijk werden nog acht kinderen geboren van wie er vijf jong overleden. Na de dood van Simon werd de boerderij verkocht aan Cornelis Beers voor ƒ 40.630. Ook alle huisraad werd bij opbod verkocht. Aafje vertrok naar Jisp waar ze als huishoudster ging werken.
Cornelis Beers (1817-1897) was geboren aan de Jisperweg op een boerderij die door zijn vader was gekocht. Cornelis erfde deze boerderij en bleef er zijn hele leven wonen. Hij trouwde in 1842 met Trijntje Kat (1815-1877) uit de Wijdewormer. Van hun elf kinderen werden er zeven volwassen. De jongste zoon Jan ging met zijn echtgenote Vrouwtje de Haan (1857-1927) en hun zoontje boeren aan de Noorddijk. Daar werden nog vier kinderen geboren. Bij de scheiding van de nalatenschap van Cornelis kreeg echter niet Jan maar zijn oudere broer Nicolaas Beers (1846-1907) de boerderij in eigendom. Nicolaas stond onder curatele en verbleef sinds 1875 in een verpleeginrichting in ‘s-Hertogenbosch waar hij in januari 1907 overleed. Zijn broers Pieter Beers, die de ouderlijke boerderij aan de Jisperweg van zijn vader had geërfd, en Jan Beers (1852-1930), die met zijn geërfde geld boerderij Buitenrust aan de Volgerweg had gekocht, kregen nu de boerderij aan de Noorddijk in bezit. Jan was echter geestelijk steeds meer in de war geraakt en verbleef sinds 1904 in dezelfde inrichting in ‘s-Hertogenbosch als zijn broer. Hij werd droefgeestig en dementerend en bleef er tot zijn dood in 1930. Zijn oudste zoon Nicolaas Beers (1881-1956) nam na zijn huwelijk in 1906 met Neeltje Stuijt (1882-1942) uit Uitgeest het boerenbedrijf aan de Noorddijk over. Zijn broer Cornelis en zwager Jan Stuijt werkten met hem mee. In de Landbouwtelling van 1910 staat Nicolaas Beers vermeld als pachter van 17,42 ha land. Hij bezat 1 paard, 1 stier, 15 melkkoeien, 4 stuks mestvee, 9 kalveren, 20 schapen en 12 lammeren, 1 geit, 4 biggen en 24 kippen. Na de dood van Vrouwtje de Haan werden de boerderijen aan de Volgerweg en de Noorddijk verkocht. Ook werd er een boelhuis gehouden. Nicolaas vertrok met zijn gezin naar De Rijp waar hij met de erfenis van zijn moeder een manufacturenzaak in de Rechtestraat kocht.
Petrus Johannes Groot werd voor ƒ 51.492 de nieuwe eigenaar van de boerderij. Hij was in de verte verwant aan Nicolaas Beers, want ook hij was getrouwd met een Neeltje Stuijt. Het echtpaar kreeg vijf zoons en vier dochters. In 1930 liet hij op het erf een arbeidershuisje bouwen. Volgens de Veetelling uit dat jaar bezat hij 23 melkkoeien, 14 kalveren, 8 fokzeugen en 5 biggen en 25 kippen. In 1933 moest hij zijn bezit verkopen aan Meijnoutje Blokker, weduwe van Gerrit van Ruitenbeek in Ouderkerk aan de Amstel. Pieter Groot bleef als pachter op de boerderij tot hij in 1938 met zijn vrouw naar Alkmaar vertrok. Vier jaar later deed Meijnoutje het over aan de Stichting “Schim van der Loeff-Dijkman-fonds” gevestigd te Venray. Dit fonds beheerde de nalatenschap van dr. Herman Johan Schim van der Loeff die in 1917 was getrouwd met Klasina Elisabeth Dijkman. Hij was geneesheer-directeur van de psychiatrische inrichting Sint Anna in Venray. In 1933 kreeg hij een pauselijke onderscheiding. In de periode dat deze stichting eigenaar was, kreeg de boerderij zijn huidige naam Loeffendijk. In 1967 kocht Nicolaas Petrus Smit (1906-1983) samen met zijn zoon Gerardus Johannes Smit de boerderij met het huisje, schuren en landerijen. Sinds 1973 is de zoon alleen eigenaar. Er werden bouwvergunningen verleend voor een melkstal (1968), een ligboxenstal (1984) en de verbouwing van het woonhuis (1988).