Neckerweg 23
Elisabeth Hoeve

kavel
AK11
verpondingsnummer
189
bouwjaar
1937
wijk
A14
OAT nummer
G266
eerste boerderij
voor 1633
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
De minuutplan uit 1813. (Noord-Hollands Archief)
Foto Collectie Historisch Genootschap Beemster
De Arenbergerkavel 11 aan de Neckerweg naast de Draaioordersloot was een van de vele kavels die bij de verloting op 30 juli 1612 in bezit kwam van de gebroeders Van Oss. Hendrick en Dirck van Oss waren de grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster en verkregen samen ongeveer eenzevende van de totale oppervlakte. In de eerste jaren na 1612 kochten ze nog veel land aan. De broers kwamen oorspronkelijk uit Antwerpen, maar waren na de herovering van deze stad door de Spanjaarden naar het noorden gevlucht. Ze vestigden zich als kooplieden in Amsterdam. In naam deden de broers alles samen, in de praktijk was Hendrick de ‘stille vennoot’ op de achtergrond terwijl Dirck de ondernemer was. Hij richtte zijn aandacht niet alleen op de aloude handelsgebieden (Oostzee, Frankrijk, Middellandse zee), maar vooral ook zocht hij nieuwe markten in de Levant, het Verre Oosten en Rusland.
Dirck en Hendrik van Oss
Door het ontbreken van enkele transportregisters zijn de gegevens voor de 17e eeuw nogal fragmentarisch. In 1633 wordt een taxatie vermeld van enkele kavels uit het bezit van dr. Reijnier Pauw, waaronder de AK11 met een waarde van ƒ 1025 per morgen. Er stond toen al een huis op de kavel want dat werd geschat op ƒ 1800. Reijnier Pauw (1591-1676) was een zoon van een Amsterdamse burgemeester, maar maakte zelf carrière in Den Haag. In 1621 werd hij raadsheer in de Hoge Raad van Holland en Zeeland, in 1655 werd hij president hiervan. Door de Franse koning Lodewijk XIII werd hij in 1634 verheven tot Ridder in de orde van Sint Michiel.
Reijnier Pauw, fragment van een portret van Paulus Moreelse (Rijksmuseum)
De volgende vermelding in de transportregisters dateert uit 1654 als François Meerman drie kavels (AK11-12 en BK101) als huwelijksgift schenkt aan zijn zoon Gerardus. François Meerman (1590-1657) was de enige zoon van de Delftse burgemeester Dirck Gerritsz Meerman, een van de investeerders in de droogmaking van de Beemster. François was raad en burgemeester van Delft en hoofdingeland van de Beemster. Zijn zoon Gerardus Meerman trouwde met Agneta Deutz die later bij testament het Deutzenhofje stichtte.
Volgens het verpondingsregister uit 1733 was Pieter Witte de eigenaar van het “boerehuijs met landerijen”.
Pieter Witte (1679-1732) was een zoon van de Amsterdamse koopman Harmanus Witte die verschillende kavels in de Beemster aankocht, waaronder de buitenplaats Volgerwijk. Mogelijk heeft hij ook de AK11 gekocht die dan door zijn zoon zou zijn geërfd. Pieter Witte bleef ongehuwd en liet zijn boerderij in de Beemster na aan zijn nicht Sara Sophia Borghorst, een dochter van Cornelis Borghorst en Aletta Witte. Uit haar huwelijk met mr. Jacob Victor werd één dochter geboren. Deze Christina Aletta Victor liet samen met haar man Daniel Wijnands in 1770 de kavel op haar naam overboeken. Op dezelfde dag namen zij een hypotheek van ƒ 5000 tegen 4% rente op de boerderij met land. Vier jaar later verkocht Christina Aletta Victor, inmiddels weduwe geworden, in een openbare veiling in de Beemster de boerderij met land voor ƒ 10.650 aan Johannes van Droogenhorst uit Amsterdam.
Johannes van Droogenhorst (1727-1792) was van moederszijde verwant aan de familie Witte. In 1750 trouwde hij met zijn twee jaar jongere volle nicht Margaretha Hendrina van Tarelink. Het paar woonde in het huis De Liefde aan de Herengracht nabij de Brouwersgracht, dat Johannes’ vader in 1710 had laten verbouwen. De meeste kinderen uit zijn huwelijk stierven jong, slechts één dochter werd volwassen. Zij erfde alle bezittingen van haar vader.
Herengracht 42 tekening Caspar Philips
Hendrina van Droogenhorst (1754-1795) was in 1780 getrouwd met Tjaard Antonie van Iddekinge (1756-1837). Hij stamde uit een vooraanstaande Groningse regentenfamilie. Zijn vader was decennialang de machtigste man in het Groningse stadsbestuur. Tjaard Antonie was zijn jongste zoon en doorliep zelf ook een bestuurlijke carrière. In 1778 werd hij ontvanger van de vrijwillige en executoriale verkopen in het Oldambt. Kort na zijn huwelijk werd hij ontvanger bij de Admiraliteit van Amsterdam en verhuisde daarheen. Sedert 1789 was hij bewindhebber van de West-Indische Compagnie en twee jaar later werd hij benoemd tot directeur van de Sociëteit van Suriname. In 1803 werd hij raad in de vroedschap van Amsterdam en vanaf 1813 was hij rechter bij de Amsterdamse rechtbank. Door koning Willem I werd hij in 1816 in de adelstand verheven met de titel jonkheer en kwam als zodanig in de Ridderschap van Holland. Omdat hij na de dood van zijn vrouw al haar landerijen in de Beemster had geërfd, werd hij hoogheemraad en hoofdingeland in het polderbestuur.
Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was Tjaard Antonie van Iddekinge nog steeds eigenaar van de boerderij die werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. De pachter was volgens de Volkstelling van 1830 Gerrit Pietersz Kooijman (1763-1835). Hij woonde er met zijn vrouw Luwtje Binnenwijzend (1763-1837), een werkman en een dienstbode. Hun drie dochters waren inmiddels het huis uit. Vermoedelijk was de familie Kooijman al sinds het begin van de 18e eeuw pachtboer: deze boerderij, want in de dtb-boeken staan zij steeds vermeld met het adres Neckerweg.
Bij de scheiding van de nalatenschap van Tjaard Antonie van Iddekinge werd de boerderij in de Beemster toebedeeld aan zijn drie ongehuwde dochters: Quirina Jacoba (1782-1851), Margaretha Hendrina (1783-1871) en Antonia Adriana Anna van Iddekinge (1784-1875). Uiteindelijk liet de langstlevende van hen de boerderij na aan haar twee nichten, dochters van broer Johannes. Antonia Henriëtte van Iddekinge (1823-1894) was getrouwd met jhr. Jacob Carel van de Kasteele (1815-1894). Haar enige zoon mr. Johannes van de Kasteele (1858-1943), advocaat en procureur in Den Haag, erfde haar helft. Gabriëlle Johanna van Iddekinge (1826-1895) had uit haar huwelijk met jhr. Gerard Reijnier Gerlacius van Swinderen (1804-1879) geen kinderen. Met haar stierf de adellijke tak van de familie uit.
De pachtboer was sinds 1887 Cornelis de Heer (1845-1891) die met zijn gezin van de Jisperweg naar de Neckerweg kwam. Uit zijn huwelijk met Trijntje Noome (1846-1914) werden tien kinderen geboren, van wie er twee jong overleden. Hun een na jongste zoon was de bekende schilder Simon de Heer (1885-1970).
Na de dood van haar man zette Trijntje Noome het boerenbedrijf voort. Volgens de Landbouwtelling van 1910 had zij 17 hectare land in pacht en bezat zij 1 paard, 14 melkkoeien, 1 mestkoe, 13 kalveren, 27 schapen en 46 lammeren, 1 zeug en 2 biggen, en 17 kippen. Vanaf 1914 was zoon Aris de Heer (1882-1938) de pachter tot hij in 1920 verhuisde naar de nieuwe boerderij op het naastgelegen perceel.
Zelfportret Simon de Heer, 1931 (Stichting Simon de Heer)
In 1919 verkocht Johannes van de Kasteele in een openbare veiling in het Heerenhuis in Middenbeemster zijn Beemster landerijen, waaronder twee tegenover elkaar liggende boerderijen aan de Neckerweg. Koper van de westelijke boerderij was Joannes Meijssen, veehouder aan de Zuiderweg in de Beemster. Hij betaalde er naar verluid ruim 66.000 gulden voor. Reeds een jaar later deed hij de boerderij alweer van de hand aan Hendrik Nicolaas Belkom. Hij was de eerste eigenaar/bewoner.
Hendrik Nicolaas Belkom (1884-1980) was geboren in Avenhorn waarheen zijn grootvader, een turfschipper uit het Friese Workum, een halve eeuw eerder was verhuisd. In 1899 kwam hij als tuindersknecht naar de Beemster. Later was hij warmoezenier aan de Volgerweg. Hij trouwde in 1908 met Aaltje Smit (1887-1986). In 1916 vertrokken ze naar de Purmer, maar in 1920 keerde het gezin terug naar de Beemster en vestigde zich aan de Neckerweg. Volgens de Landbouwtelling van 1930 was Hendrik tuinder en bezat hij 1 paard, 8 melkkoeien, 5 schapen en 10 lammeren, en 16 kippen. In 1932 werd de boerderij in een openbare veiling verkocht. Waarschijnlijk was Hendrik, zoals veel Beemster boeren, in financiële problemen gekomen als gevolg van de crisis die ontstond na de beurscrash in 1929. Koper was Johannes Lucas ten Bos uit Almelo die in die tijd meer boerderijen opkocht. Hij betaalde maar ƒ 20.400, de prijzen waren eveneens door de crisis gekelderd. Hendrik en zijn gezin bleven wel op de boerderij wonen.
De boerderij met de familie Belkom eind jaren 1920 (Collectie Historisch Genootschap Beemster)
Johannes Lucas ten Bos (1866-1949) was een Twentse textielbaron. Onder zijn leiding kwam de door zijn vader opgerichte textielfabriek door de fabricage van damesstoffen tot grote bloei. Hij stond bekend als een sociaal ondernemer die de belangen van zijn arbeiders behartigde. Hij bekleedde veel bestuurs­functies en was lid van de gemeenteraad van Almelo. Hij stond bekend als liefhebber en verzamelaar van oude kunst. In 1937 kreeg hij een bouw­vergunning voor een nieuwe woning. De oude, houten 17e-eeuwse boerderij werd toen afgebroken. In de krant werden bouwmaterialen en puin van de afgebroken boerderij te koop aangeboden.
Na de dood van Ten Bos kregen zijn weduwe voor de helft en zijn drie kinderen voor de andere helft de boerderij in eigendom. Zij verkochten deze in 1955 aan Jan Martinus Belkom, de zoon van Hendrik. Hij was getrouwd met Geertje Best. Hij liet enkele schuren bijbouwen en kreeg in 1970 een bouwvergunning voor het vergroten van de boerderij. In de jaren ‘70 werd een gedeelte van het land verkocht in verband met de aanleg van de Provincialeweg. Sinds halverwege de jaren ‘80 hebben zoon Hendrik Pieter Belkom en zijn vrouw Grietje Aaltje Uitentuis de boerderij in eigendom.
Dirck van Oss (1556-1615) behoorde tot de eerste Hollanders die via Archangel met de Russen in contact kwam. Hij stak geld in één van de eerste vloten die naar Indië gingen in de jaren 1590. Toen op initiatief van Van Oldenbarneveldt de VOC werd opgericht in 1602 kochten Hendrick en Dirck van Oss voor ƒ 47.000 aan aandelen. Dat leverde hen in de jaren daarna behoorlijke winsten op waarvoor ze op zoek gingen naar investeringsmogelijkheden. Die vonden ze in de Beemster. Bij zijn dood in 1615 bezat Dirck een vermogen dat wordt geschat op bijna 3 miljoen gulden.