Oostdijk 13
Broedersbouw

Broedersbouw in 1946 (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
kavel
AK56-57
verpondingsnummer
408
bouwjaar
1742
wijk
D104
OAT nummer
C354
eerste boerderij
voor 1644
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Op 30 juli 1612 werden op het Slot te Purmerend de kavels van de Beemster verloot onder de investeerders in de droogmaking. De Arenbergerkavel 56 aan de Oostdijk kwam daarbij in bezit van Leonard Raye. Korte tijd later kocht hij de naastgelegen Arenbergerkavel 57 van de gebroeders Van Oss. De kavels zijn daarna altijd bij elkaar gebleven.
Leonard Raye (†1618) was geboren in Limburg en verhuisde naar Amsterdam waar hij een handelshuis in specerijen had. Ook was hij bankier. Hij woonde met zijn vrouw, de in Antwerpen geboren Catharina de Schot, in de Barndesteeg. Hun enige dochter Maria erfde haar vaders landerijen in de Beemster.
De boerderij met boomgaard in 1644
Joan van der Poll met zoontje Harmen (Rijksmuseum)
De boerderij op de minuutplan uit 1813 van het Kadaster (Noord-Hollands Archief)
Broedersbouw in 2012 (uit: 400 jaar Beemster)
Maria Raye (1602-1658) trouwde in 1623 met Jeronimus Coymans (1598-1658). Hij was een zoon van de zeer rijke koopman Balthasar Coymans die na de val van Antwerpen met zijn broers naar Amsterdam was gevlucht. Hij behoorde in 1631 tot de vijf rijkste Amsterdammers. Ook Jeronimus was koopman, hij handelde vooral in specerijen. Hij woonde aan de Oudezijds Voorburgwal. In 1635 kocht hij de hofstede Zandvliet in Lisse. Tien jaar later schafte hij voor 40.000 gulden het Huis Meeresteyn bij Velsen aan en ging zich heer van Meeresteyn noemen. In 1653 werd hij hoofdingeland van de Beemster. Na zijn dood werden de landerijen die hij van zijn schoonvader had geërfd getaxeerd, waarbij het huis met de dubbele kavel aan de Oostdijk werd geschat op ƒ 1150 per morgen. Door het ontbreken van enkele transportregisters is onduidelijk wat er daarna met de kavels is gebeurd. In het verpondingsregister van 1733 staat Joan van der Poll als eigenaar vermeld.
Mr. Joan van der Poll (1668-1745) was een zeer machtige man in de Amsterdamse politiek tijdens het Tweede Stadhouderloze tijdperk. Hij werd maar liefst zeventien maal tot burgemeester van de stad gekozen. Daarnaast bekleedde hij nog diverse andere bestuurlijke functies. Hij woonde op de Herengracht bij het Koningsplein. In 1700 kocht hij voor ƒ 37.000 het Huis te Spijk bij Velsen. Volgens de Personele Quotisatie van 1742, een belasting op welstand, had hij zes dienstboden, een koets met vier paarden en werd zijn inkomen geschat op 20.000 gulden per jaar. Zijn jongste dochter uit zijn huwelijk met Margaretha Rendorp erfde de inmiddels herbouwde boerderij aan de Oostdijk.
Bregje van der Poll (1699-1772), volgens een contemporaine bron “sijnde geweest een extera klijn mens”, was in mei 1728 getrouwd met een achterneef mr. Jan van der Poll Jansz (1692-1728). Hij was vroedschap van Amsterdam geworden in 1728, maar overleed plotseling enkele maanden later. Zijn weduwe beviel in april 1729 van een dochter. Ze woonde op de Keizersgracht bij de Hartenstraat. In 1742 had ze vijf dienstboden, een koets met twee paarden en een jaarinkomen van ƒ 6000. Bij het huwelijk van haar dochter in 1751 schonk zij haar de 'bruikweer lands' genaamd Broedersbouw. Dit is de eerste maal dat de naam in de bronnen voorkomt.
Johanna Geertruid van der Poll (1729-1774) trouwde met Nicolaas Geelvinck (1732-1787), heer van Stabroek. Sedert 1748 was hij secretaris van Amsterdam en in 1765 trad hij toe tot de vroedschap. Hij was bewindhebber van de West-Indische Compagnie en directeur van de Sociëteit van Suriname. Ook was hij hoogheemraad van de Beemster. Hij woonde aan de Herengracht bij de Vijzelstraat en had ook een huis in Den Haag. Hij was eigenaar van de hofstede Scheybeek bij Velsen die hij in 1780 voor ƒ 31.000 verkocht. Zijn nalatenschap bedroeg bijna 800.000 gulden. Een deel daarvan, bijna een kwart miljoen, had hij geërfd van Johanna Geertruid. Na haar dood hertrouwde Nicolaas met Magdalena gravin van Rechteren tot Gramsbergen. Ook dit huwelijk bleef kinderloos, zodat Magdalena in bezit kwam van Broedersbouw. In 1790 sloot zij een tweede huwelijk met Gabriel Marie vicomte de Riccé (1758-1832), een hoge Franse militair. In 1799, hij woonde toen in Hamburg, liet hij de landerijen op zijn naam overboeken.
De volgende eigenaar was Maria Trip (1740-1813), weduwe van mr. Willem Boreel (1744-1796). Hij was tot 1787 vroedschap van Amsterdam en erfde de titel baronet die zijn voorvader in het begin van de 17e eeuw van de Engelse koning had gekregen. Willem en Maria waren eigenaar van het landgoed Beeckestijn in Velsen. Onder hun leiding werd de door zijn vader aangevangen herinrichting van de tuinen in Engelse landschapsstijl voltooid. Ze woonden in Amsterdam op de Herengracht tussen de Vijzelstraat en de Nieuwe Spiegelstraat. Hun zoon erfde al hun bezittingen.
Mr. Jacob Boreel van Hogelanden (1768-1820), werd door koning Willem I in de adelstand verheven. Uit zijn huwelijk met Margaretha Johanna Munter werd onder andere een zoon geboren die in 1846 bij de scheiding van de nalatenschap van zijn moeder Broedersbouw kreeg. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 stond de boerderij nog op naam van de douairière Boreel. Het huis werd getaxeerd in klasse 5 met een geschatte huurwaarde van ƒ 57.
Maria Trip (particuliere collectie)
Jacob Boreel van Hogelanden (museum Beeckestijn)
Jhr. mr. Willem Boreel van Hogelanden (1800-1883), 9e baronet, werd in 1842 na een diplomatieke carrière lid van de Tweede Kamer, waar hij ook enkele jaren kamervoorzitter van was. Daarna was hij vijf jaar commissaris des Konings in Noord-Holland en vervolgens zes jaar lid van de Eerste Kamer. In 1860 werd hij benoemd tot Minister van Staat. Hij was in 1833 getrouwd met zijn nicht jonkvrouwe Jacoba Margaretha Maria Paulina Boreel (1813-1893), dame du palais van de koninginnen Sophie en Emma. Ze kregen negen kinderen. Zoon Jacob Willem Gustaaf erfde de Beemster landerijen aan de Oostdijk.
Willem Boreel van Hogelanden (particuliere collectie)
Jacoba Margaretha Maria Paulina Boreel (particuliere collectie)
Jhr. mr. Jacob Willem Gustaaf Boreel van Hogelanden (1852-1937) was eerst attaché bij de ambassade in Londen. Daarna was hij van 1877-1888 burgemeester van Castricum, sedert 1884 tevens burgemeester van Heemskerk. In 1888 kwam hij in de Tweede Kamer voor de Liberale Unie. Van 1893 tot 1912 was hij burgemeester van Haarlem. Tegelijkertijd was hij lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Uit zijn eerste huwelijk met Maria Cornelia barones Schimmelpenninck van der Oye (1857-1891) werden vijf kinderen geboren. In 1898 hertrouwde hij met jonkvrouwe Cornelia Maria van Weede (1855-1927). Bij de scheiding van zijn nalatenschap in 1938 kregen twee dochters gezamenlijk Broedersbouw. Een jaar later deed jonkvrouwe Agnes Boreel haar helft over aan haar zuster.
Jvr. Cornelia Marie Boreel (1879-1957) was grootmeesteres van zowel koningin Wilhelmina als koningin Juliana. In 1902 trouwde ze met Frederik Willem baron van Tuyll van Serooskerken (1874-1950). Ze kregen vier kinderen. De oudste dochter kreeg bij de scheiding van de nalatenschap van haar moeder in 1958 boerderij Broedersbouw aan de Oostdijk.
Jacob Willem Gustaaf Boreel van Hogelanden (particuliere collectie)
Jvr. Marie Cornelie van Tuyll van Serooskerken (1903-1988) trouwde in 1931 met jhr. dr. John Hugo Loudon (1905-1996). Zijn vader Hugo was medeoprichter en voorzitter van de raad van bestuur van Shell. Ook John Hugo was topman van Shell (1951-1965) en wist het bedrijf in de naoorlogse jaren op te bouwen tot de een na grootste oliemaatschappij van de wereld. Volgens de New York Times in een bericht na zijn overlijden was hij een lange, atletische man die vijf talen sprak en zich moeiteloos ophield met politieke wereldleiders, oliesjeiks en zakenmagnaten als Rockefeller en Ford. In de jaren 60 nam hij driemaal deel aan de Bilderberg conferenties. In 1976 werd hij voorzitter van het Wereld Natuurfonds. Uit dit huwelijk werden vier zoons geboren, van wie de oudste ongehuwd op 23-jarige leeftijd overleed. In 1970 schonk Marie Cornelie  Broedersbouw aan haar zoon Frederik Willem.
John Hugo Loudon (foto Wereld Natuurfonds)
Jhr. Frederik Willem Loudon (1937-2001) was in 1962 getrouwd met jonkvrouwe Henriëtte Catharina Steengracht van Oostcapelle (*1934). Ze kregen twee dochters en een zoon. Na zijn dood erfden de kinderen Eugénie Mary, Pauline Susanne en John Hugo Willem Loudon de boerderij waarbij hun moeder het vruchtgebruik behield. Sedert juni 2012 is Broedersbouw volledig in bezit van jhr. drs. John Hugo Willem Loudon.
Broedersbouw is altijd een pachtboerderij geweest. Omstreeks 1797 kwam Maarten Admiraal (1768-1826) uit de Schermer als pachter op de boerderij. In mei van dat jaar werd zijn vier maanden oude zoontje begraven en staat de Oostdijk als adres vermeld. Hij was getrouwd met Antje Jacobs de Graaf (1761-1826).
Daarna werd zijn zoon Klaas Admiraal (1799-1878) de pachter op Broedersbouw. In de Volkstelling van 1830 staat hij ook als bewoner vermeld met zijn gezin, twee werkmannen en twee dienstmeisjes. Hij was gemeenteraadslid, hoofdingeland en bekleedde diverse andere bestuursfuncties zoals secretaris van de tuinbouwvereniging Beemster en Omstreken. Klaas Admiraal trouwde in 1820 met Barbara Pieters Beets. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren. De enige zoon, Maarten Admiraal (1827-1905), runde later samen met zijn vader het boerenbedrijf. Hij was in 1854 getrouwd met Neeltje Weeshof (1833-1917) uit Schermerhorn. Ze kregen drie zoons en een doodgeboren dochtertje. De oudste zoon Klaas volgde een opleiding aan de tuinbouwschool en was in 1876 een van de eerste studenten aan de net geopende Rijkslandbouwschool in Wageningen. Ook zijn broers volgden een tuinbouwopleiding. Na de dood van zijn vader verkocht Maarten Admiraal al het vee, gereedschappen, huisraad en inboedel op een veiling op Broedersbouw en vertrok met zijn gezin naar De Rijp. Zijn zoons begonnen daar onder de naam Gebroeders Admiraal een firma in de verkoop van bloemen en bomen en wonnen diverse malen prijzen op tuinbouwtentoonstellingen.
In mei 1878 kwam Arien Dirksz Kooij (1851-1913) als pachter op Broedersbouw. Hij was een neef van Maarten Admiraal, zijn moeder Antje was de oudste zuster van Klaas. Arien was in 1874 getrouwd met Jannetje Beets (1851-1929) en boerde aanvankelijk aan de Volgerweg. Het paar kreeg eerst drie dochters en vervolgens vier zoons. Ook Arien Kooij was gemeenteraadslid van de Beemster en sinds 1891 wethouder. In 1911 moest hij om gezondheidsredenen dit ambt opgeven. Volgens de Landbouwtelling van 1910 bezat Arien Kooij 29 ha land in pacht en hield hij daar 2 paarden, 1 stier, 24 melkkoeien, 8 stuks jongvee, 32 schapen en 25 lammeren, 10 varkens en 12 biggen en 9 kippen. Na zijn dood zette de weduwe met twee zoons het bedrijf voort. De twee andere zoons werden slager. De jongste zoon Jan verhuisde na zijn huwelijk met Santje Beets naar de Hobrederweg. De oudste zoon Dirk bleef na de dood van zijn moeder pachter op Broedersbouw. In 1930 bezat hij 2 paarden, 26 koeien en 6 kalveren, 44 varkens en 34 lammeren, 35 varkens en 17 biggen en 16 kippen. Dirk bleef ongehuwd, zijn neef Arien Kooij en vervolgens diens zoon Pieter volgden hem op als pachter.
Op 2 mei 1968 werd Broedersbouw op de Rijks-monumentenlijst geplaatst. Het is een stolpboerderij van het West-Friese type met een dubbel vierkant. Het dak is aan drie zijden met riet bedekt, alleen de zuidkant heeft een pannendak. De voorgevel heeft een hogere middenpartij, eindigend in een klokgevel met gevelsteen waarop de naam van de boerderij en het jaartal 1742 staan.
Links de plattegrond uit 1870, de oorspronkelijke indeling van 1742. Rechts de plattegrond uit 2011. (H.M.T. Kliffen, Bouwhistorische verkenning Broedersbouw. Utrecht, 2011)