Oostdijk 27
Suykerbakkershof

kavel
DK2
verpondingsnummer
420
bouwjaar
1910
wijk
A20
OAT nummer
D217
eerste boerderij
voor 1626
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Op 30 juli 1612 werden op het Slot te Purmerend de kavels van de Beemster verloot. De Dijkkavel 2 groot 20 morgen werd voor de helft toebedeeld aan Hendrick de Haes en de andere helft aan Gillis van Kessel en Guillaume Wijs. Zij waren allemaal kooplieden te Amsterdam die oorspronkelijk uit Antwerpen kwamen. In 1614 verkocht Hendrick de Haes zijn helft aan Gillis en Guillaume. Zij waren niet alleen handelspartners maar ook zwagers want Guillaume was in 1595 getrouwd met een zuster van Gillis. Beiden investeerden ƒ 6000 bij de oprichting van de kamer Amsterdam van de VOC. Ze bezaten gezamenlijk een suikerbakkerij op de Herengracht in Amsterdam. Waarschijnlijk hebben zij de eerste boerderij op de kavel laten bouwen, want in 1626 bij de overboeking van de helft van Gillis van Kessel op zijn weduwe Maria Wijs is al sprake van een huis. Dat zou een verklaring van de naam kunnen zijn. In 1629 werd de halve kavel met het huis getaxeerd op ƒ 19.000. Een jaar later werd de helft van Guillaume overgeboekt op zijn drie kinderen Jan, Abraham en Sara Wijs. In 1637 volgde een nadere verdeling van de tot dan toe onverdeelde kavel, waarbij Maria Wijs het dijkstuk met het huis kreeg en Abraham en Sara Wijs, die getrouwd was met François van Oss, samen het tochtstuk. Dit ten westen van de Purmerenderweg gelegen stuk kwam in 1651 in bezit van Sara alleen en vererfde uiteindelijk op haar nakomelingen. Het dijkstuk werd pas in 1717 overgeboekt op naam van Godefridus Bogaard.
De boerderij  in 1644
Foto Boerderijenbeeldbank
Godefridus Bogaard († 1727) was in 1678 getrouwd met Maria Wijs, een achterkleindochter van Guillaume. Bij deze overboeking werd het huis met ruim 10 morgen land getaxeerd op ƒ 3648,15. Na de dood van zijn ouders erfde zoon Jan Bogaart de boerderij. Hij staat vermeld in het verpondingsregister van 1732 als eigenaar van een “plaisirhuijs, boerehuijs en landerijen”. Gezien de aanslag van slechts ƒ 12 was er waarschijnlijk sprake van een heerschapskamer in de boerderij. Uit zijn huwelijk met Elisabeth Beuneker werden twee dochters, Maria en Clara, geboren. Bij de verdeling van de nalatenschap van Jan en Elisabeth kregen ze beiden de boerderij in eigendom. In 1792 verkocht Jan Lindeman, de zoon van Clara, zijn helft aan de weduwnaar van Maria.
Door Maria gemaakt borduurwerk van de kerk in Krommeniedijk
Maria Boogaert (1731-1786) trouwde op 23-10-1757 in Krommeniedijk met de weduwnaar Lambertus Twisker (1723-1798). Hij was de eerste dominee van het nieuwe kerkgebouw aldaar, nadat in 1747 de oude kerk door een “ijsselijken stormwint” was verwoest. In de kerk hangt nog een oorkonde die vervaardigd is ter gelegenheid van dit huwelijk. Zes jaar na de dood van zijn tweede vrouw hertrouwde Lambertus met Gezina Woudenberg. Zij schreef naar aanleiding van zijn overlijden “Een zwaare en reeds meer dan een Jaar vooruitgeziene slag drukt my! de God des Levens, die voor zes Jaaren ons door de Huwelyksband vereenigde: verbrak heden avond onze genoeglyken zamenwooning, daar hy myn waardigen Man (…) door een zagten, en, zo ik vertrouwe mag, zaligen dood, in zyn Heerlykheid tot zich nam. Famielje en Vrienden, van welker deelneeming in myn verlies ik my verzekert houde, dienen dit tot bekendmaaking, met verzoek om van brieven van Rouwbeklag verschoond te zyn.” Volgens het testament van haar overleden man erfde Gezina Woudenberg de boerderij. In oktober 1805 verkocht zij deze voor ƒ 4150 aan Pieter Jansz Binnewijzen. Hij betaalde ƒ 1150 contant en nam op de rest een hypotheek.
Oorkonde ter gelegenheid van het huwelijk van Lambertus Twisker en Maria Boogaert
Pieter Binnewijzen (1741-1811) was getrouwd met Maartje Jans Donker (1741-1813). Ze kregen zeven kinderen, van wie er twee jong overleden. Pieter was pachtboer aan de Volgerweg tot hij in 1805 zijn eigen boerderij kocht. Na zijn overlijden werd deze overgeboekt op naam van de weduwe en vijf kinderen. Vlak voor haar dood verkocht Maartje de boerderij met land aan Bernardus Selleger.
Bernardus Selleger (1754-1816) was geboren in Amsterdam. Hij vestigde zich na zijn eerste huwelijk in 1781 als notaris in Purmerend. Hij zat er tweemaal in de schepenbank, was van 1811-1813 lid van de Municipale Raad en werd in 1816 lid van de gemeenteraad. Na zijn dood werd de boerderij verkocht aan Antje Vas.
Antje Vas stamde uit een doopsgezinde familie uit de Zaanstreek. Ze trouwde met Klaas Klaasz Pauw uit De Rijp. Hij was onder andere participant in de hennepkloppersmolen De Reiger aan de Zuiddijk bij De Rijp. Het paar ging in Purmerend wonen waar hun zes kinderen werden geboren. In 1824 werd de boerderij aan de Oostdijk verkocht aan Klaas Pietersz de Jong voor ƒ 6000.
Klaas de Jong (1759-1836) was geboren in Hauwert. Zijn eerste vrouw was Trijntje Fekke uit Beets, zij overleed kort nadat ze naar de Beemster waren verhuisd. In 1828 hertrouwde Klaas met Trijntje Jacobs Hartog uit Kwadijk. In 1830 bij de Volkstelling woonde het echtpaar samen met een werkman op de boerderij. Twee jaar later bij de invoering van het Kadaster was Klaas de Jong nog steeds eigenaar van de boerderij die werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. In 1833 werd hun enige zoon Jacob geboren die de boerderij erfde. Een jaar na de dood van haar man hertrouwde Trijntje met Dirk Jansz Doets en kreeg met hem nog een zoon Jan. Dirk en Trijntje bestierden de boerderij tot Jacob de Jong deze overnam.
De minuutplan uit 1813 (Noord-Hollands Archief)
Jacob de Jong (1833-1890) trouwde in 1855 met Dieuwertje Oosthuizen (1833-1912). Ze kregen twee zoons en twee dochters. Volgens de Landbouwtelling van 1854 bezat Jacob 1 merrie met 1 veulen, 16 koeien en 3 kalveren, 13 schapen en 2 varkens. In 1888 werd het huis gedeeltelijk gesloopt en een jaar later werd een schuur bijgebouwd. Na Jacob’s dood erfde zijn weduwe de boerderij met land. Op 6 november 1900 liet zij in hotel De Roskam te Purmerend de huismanswoning “het Suikerbakkershof” met schuur, erf, woonhuis, boomgaard, tuingrond en drie percelen weiland openbaar verkopen. Naar verluid brachten de 3 stukken land van circa 3 morgen ruim 20.000 gulden op. De boerderij met boomgaard werd verkocht aan Isaac Graftdijk. Dieuwertje trok in 1905 in bij haar oudste dochter Trijntje die in Oosthuizen met haar man een tuinderij had. Ze overleed er zeven jaar later.
Isaac Graftdijk (1854-1919) was geboren in Jisp als zoon van Adriaan Isaacsz Graftdijk en Trijntje Jonker (Jisperweg 133). Na zijn huwelijk in 1877 met Neeltje Visser (1855-1921) boerde hij eerst enkele jaren als veehouder aan de Noorderweg in de Wijdewormer. Daar werden hun twee oudste zoons geboren. Nadat het gezin in 1883 naar de Beemster was verhuisd, kwamen er nog drie zoons bij van wie de jongste op de leeftijd van zeven maanden overleed. Isaac stapte over naar de tuinbouw. Bij de koop van de boerderij aan de Oostdijk staat als beroep “warmoezier” vermeld. Ook in de Landbouwtelling van 1910 staat hij als zodanig te boek. Hij bezat toen 1,28 ha tuinland, 1 paard en 12 kippen. Datzelfde jaar liet hij de boerderij herbouwen. Op 3 juli meldt de krant dat “twee onbekende personen, na eerst hier en daar om onderdak gevraagd te hebben, hun bivak (hadden) opgeslagen in het nieuwe, maar nog niet geheel afgewerkt woonhuis van I. Graftdijk, aan den Oostdijk alhier”. De politie kwam ze tegen middernacht verwijderen. In 1917 verkocht Isaac Graftdijk zijn bedrijf aan Jan Hottentot en verhuisde naar de Purmerenderweg. Jan Hottentot, melkslijter te Amsterdam, verkocht de boerderij met land direct door aan Cornelis Bakker.
Cornelis Bakker (1872-1952) kwam uit Kwadijk. In 1897 trok hij in bij zijn oudere broer Lambertus te Landsmeer en ging aan het werk als eierverkoper. Hij trouwde in 1900 met Cornelia Jong (1877-1971) uit Oostzaan. Ze kregen drie zoons. Op 1 mei 1918 betrok Cornelis met zijn gezin zijn boerderij in de Beemster en werd warmoezenier. Toen zijn oudste zoon Cornelis Bakker (1901-1979) in 1929 in het huwelijk trad met Annaatje Honingh (1901-1962) uit Ransdorp, deed Cornelis senior zijn bedrijf aan hem over en verhuisde naar de Purmerenderweg. In 1934 kreeg Cornelis Bakker junior een bouwvergunning voor de bouw van een groentekas.
Hij verkocht zijn bedrijf in 1953 aan
Johannes van der Heijden en zijn vrouw Catharina Kosters. Deze bouwde er in 1967 een berging en een kas bij. In 1975 verkocht Johannes de boerderij met 2,68 ha bouwland aan Jacobus Joannes Vestering die getrouwd was met Johanna Elizabeth Bijvoet. In 1982 werd door ruil zijn één jaar oudere broer Johannes Jacobus Vestering eigenaar. Hij trouwde Maria Margaretha Velzeboer. In 1987 en 1989 werden nog een kas en een schuur bijgebouwd.
In Middenbeemster is een straat naar deze boerderij genoemd.