Schermerhornerweg 2
Groenland

kavel
DK91
verpondingsnummer
331
bouwjaar
onb. (voor 1832)
wijk
C94
OAT nummer
A265
eerste boerderij
c. 1614
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
De Dijkkavels 91 en 92 waren gelegen aan weerszijden van de Schermerhornerweg die toentertijd niet verder liep dan de Jisperweg. De kavels kwamen bij de verloting van de grond in 1612 in bezit van Arent ten Grotenhuijs en Lambert van Tweenhuysen. Beide Amsterdamse kooplieden waren betrokken bij de handel op Rusland via de Witte Zee en bij de walvisvaart. Waarschijnlijk gaven zij daarom hun recht tegenover elkaar gebouwde boerderijen de namen Groenlant en Spitsbergen.

Arent ten Grotenhuijs (1570-1615) was een belangrijke Amsterdamse koopman en ondernemer. Hij woonde in de Warmoesstraat. Zijn vader was uit Overijssel naar Amsterdam verhuisd en handelde onder andere op Portugal. In 1594 was Arent ten Grotenhuijs samen met Dirck van Oss een van de oprichters van de Compagnie van Verre om het Portugese monopolie op de handel in specerijen uit Indië te doorbreken en zelf op Indië te gaan varen. Ook behoorde hij, wederom samen met Van Oss, tot de eersten die gingen handelen op Archangel aan de Witte Zee. In 1608 was Arent ten Grotenhuijs een van de ondertekenaars van een verzoekschrift aan de Staten-Generaal, een eerste, mislukte poging voor de oprichting van een Noordse Compagnie. Dirck van Oss maakte hiervan ook deel uit. Beiden waren eveneens betrokken bij de reis van Henry Hudson in 1609 naar Noord-Amerika. Bij de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602 kocht Arent ten Grotenhuijs voor 12.000 gulden aan aandelen, waardoor hij direct bewindhebber werd. Hij behoorde tot de initiatiefnemers van de droogmaking van de Beemster en verkreeg ruim 250 morgen land. Hij liet op veel kavels direct boerderijen bouwen. Bij zijn dood werden zijn Beemster landerijen geschat op ƒ 140.000, meer dan de helft van de hele nalatenschap. Zijn zoon Willem erfde een deel van de Beemster landerijen.
De boerderij op de minuutplan uit 1813 van het Kadaster (Noord-Hollands Archief)
Foto Beeldbank Boerderijenstichting Noord-Holland
Groenlant en Spitsbergen aan de Schermerhornerweg bij de Vrouwensloot in 1644
Boerderij Groenland met de familie Oostwouder in de jaren 1930
Collectie Historisch Genootschap Beemster
Willem ten Grotenhuijs (1600-1633) bleef ongehuwd. Na zijn dood werden zijn Beemster bezittingen getaxeerd, waarbij het huis met de kavel DK91 werd geschat op ƒ 950 per morgen. Bij de verkoop in 1633 kregen de erfgenamen er echter 1050 guldens per morgen voor. Koper was François van Oss.
François van Oss (1592-1638) was de middelste zoon van bovengenoemde Dirck van Oss. Hij was koopman in Amsterdam en leidde het handelshuis dat zijn vader had opgericht. Hij bekleedde tot zijn dood de functie van hoofdingeland in het polderbestuur van de Beemster. Zijn eerste vrouw, Anna Pels, verdronk bij het oversteken van het IJ. François hertrouwde met Sara Wijs, dochter van Guiljaem Wijs, een net als de gebroeders Van Oss uit Antwerpen afkomstige koopman die ook land in de Beemster bezat. Bij haar kreeg François een dochter, Sara. In 1628 liet François van Oss aan de Volgerweg de buitenplaats Zwaansvliet bouwen. Zijn weduwe Sara Wijs kocht in 1657 van het polderbestuur van de Beemster 464 roeden land grenzend aan de DK91, zijnde een verlaten molenkolk. Bij de droogmaking van de Beemster had hier een molengang gestaan, maar de molens waren inmiddels verplaatst. In 1663 verkocht Sara Wijs de boerderij met ruim 21 morgen land voor ƒ 24.441 aan de voogden van de minderjarige Maria Ripperse uit Hoorn.
Maria Ripperse (1649-1724) was een dochter van mr. Jan Ripperse (1591-1652), advocaat in Hoorn. Hij stamde uit een regentengeslacht, zijn vader en zijn jongere broer Cornelis waren vroedschap van Hoorn. Beiden waren ook bewindhebber van de VOC-kamer in Hoorn. Maria Ripperse trouwde in 1668 met haar volle neef mr. Jacob Ripperse (1645-1680), een zoon van Cornelis. Hij werd in 1680 lid van de vroedschap maar overleed enkele maanden later. In 1685 hertrouwde Maria met Joan Blauw (1660-1714), hij was maar liefst 11 jaar jonger dan zij. Hij was geboren in Purmerend en zat aldaar in 1681 in de schepenbank. In 1690 bekleedde hij dezelfde functie in Hoorn. Na de dood van hun moeder Maria verdeelden haar beide kinderen, Cornelia Ripperse uit haar eerste huwelijk en mr. Jacob Blauw, secretaris van Hoorn, haar nalatenschap. De boerderij aan de Schermerhornerweg werd geërfd door Cornelia.
Cornelia Ripperse (1670-1740) was in 1702 getrouwd met dr. Jacob van Hoolwerff (1676-1742). Hij werd in 1713 lid van de vroedschap van Hoorn en was acht maal burgemeester. Tevens was hij bewindhebber van de VOC-Hoorn. In 1718 werd hij hoofdingeland van de Beemster. In het verpondingsregister van 1733 staat Jacob van Hoolwerff vermeld als eigenaar van de DK91, hoewel hij in september 1728 in het transportegister verklaarde deze ten huwelijk te hebben meegegeven aan zijn oudste zoon Gerard. Echter, toen de vijf kinderen van Jacob en Cornelia de nalatenschap van hun ouders verdeelden, kreeg dochter Maria de boerderij aan de Schermerhornerweg.
Maria van Hoolwerff (1706-1786) trad driemaal in het huwelijk, al haar echtgenoten waren regenten van Hoorn. In 1735 trouwde Maria met Willem Minnes (1702-1749), raad in de vroedschap van Hoorn. Haar tweede echtgenoot was de weduwnaar mr. Cornelis van Foreest (1704-1761), heer van Schoorl en Camp. Hij zat ook in de vroedschap en werd zeven maal tot burgemeester van Hoorn gekozen en was bewindhebber van de VOC. Zijn familie bezat van oudsher veel landerijen in de Beemster. Cornelis was onder meer eigenaar van een buitenplaats aan de Volgerweg. Hij was dan ook sedert 1743 hoofdingeland van de Beemster tot hij begin 1761 moest aftreden omdat hij bij leven al zijn Beemster landerijen aan zijn zoons had geschonken, waardoor hij “zijn radicale qualiteijt heeft verloren”. Samen met zijn oom Nanning van Foreest was Cornelis erfgenaam van het fortuin van de familie Van Egmond van de Nijenburg en kreeg onder meer de heerlijkheden Schoorl en Camp. Zijn eerste vrouw Maria Eva van Akerlaken was in het kraambed van haar zevende kind gestorven. Pas 15 jaar later stapte Cornelis met Maria van Hoolwerff opnieuw in het huwelijksbootje. Vier jaar na zijn dood hertrouwde Maria met mr. Willem Nicolaas Crap (1712-1789). Hij was driemaal schepen van Hoorn en bekleedde er van 1751-1787 de functie van schout. Maria van Hoolwerff bleef kinderloos, zodat haar neef haar Beemster landerijen erfde. Haar totale nalatenschap bedroeg ruim 150.000 gulden.
Mr. Jacob van Hoolwerff (1741-1804) werd in 1769 lid van de vroedschap van Hoorn. In 1788 werd hij bij de wetsverzetting door prins Willem V ontslagen, omdat hij in de jaren 1780 een belangrijke rol had gespeeld in de patriottische beweging in Hoorn. Hij was in die jaren maar liefst vijf maal burgemeester van de stad. In 1764 trouwde hij met Elisabeth Wilhelmina Crap, een dochter van schout Willem Nicolaas uit diens eerste huwelijk. Zij overleed reeds na vier jaar. Jacob hertrouwde enkele jaren later met Maria Elizabeth Bongard, haar vader was predikant in Hoorn. In 1797 verkocht Jacob van Hoolwerff de boerderij met land aan Dirk Klaasz de Boer. De koopprijs was ƒ 12.500, waarvan Dirk ƒ 9500 contant betaalde en de hypotheek van 3000 gulden die Jacob in 1795 had afgesloten, van hem overnam. Nog dezelfde dag nam Dirk zelf een hypotheek van 5000 gulden op zijn nieuw verworven bezit.
Dirk Klaasz de Boer (1744-1820) was een koopman die afwisselend in de Beemster en De Rijp woonde. Hij was getrouwd met Maartje Klaas, ze kregen twee kinderen. Hij had van zijn ouders de boerderij met land op de DK78 geërfd. In 1773 kocht hij ruim zeven morgen land op de naastgelegen kavel DK79. Elf jaar later kocht hij voor 400 gulden een tuin en speelhuis aan de Rijperweg in de Klaterbuurt en de jaren daarna nogmaals 11 morgen voor ƒ 8800 en een boerderij op dezelfde kavel. In de jaren 1780 en 1790 kocht en verkocht hij regelmatig landerijen. Om deze transacties te financieren nam hij hypotheken op zijn boerderij met land aan de Wormerweg, in 1797 zelfs een lening van 5000 gulden op al zijn landerijen. Op dat moment was Dirk dijkgraaf ad interim van de Beemster, een functie die hij sinds de Bataafse revolutie van 1795 bekleedde. Zijn zoon Cornelis was toen lid van het Comité Revolutionair. Dochter Jannetje (1770-1825) trouwde in 1802 en ging met haar man Dirk Zwemmer op boerderij Groenlant wonen. In 1807 verkocht Dirk de Boer de boerderij met land aan zijn schoonzoon voor 12.000 gulden.
Dirk Zwemmer (1868-1822) was geboren in de Schermer en woonde met zijn eerste vrouw in Westzaan. Als weduwnaar vertrok hij met zijn twee kleine kinderen naar de Beemster en trouwde met Jannetje de Boer. Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren die allemaal in Schermerhorn werden gedoopt. Dat was niet ongebruikelijk, vrijwel alle families in de noordwestelijke hoek van de Beemster gingen in Schermerhorn naar de kerk. Na de dood van Jannetje verdeelden de drie nog in leven zijnde kinderen in 1829 de nalatenschap waarbij dochter Dirkje de boerderij aan de Schermerhornerweg kreeg.
Het wapen van de familie Van Hoolwerff
Dirkje Zwemmer (1808-na 1860) was in 1826 getrouwd met Dirk de Ruijter (1802-1852) uit Broek in Waterland. Bij de Volkstelling in 1830 woonden ze met hun twee kinderen, Dirkje’s 17-jarige broer, een werkman en een dienstbode op de boerderij die in het register het adres Westdijk heeft. Korte tijd daarna, na het overlijden van hun twee-jarig zoontje, vertrok het paar naar Purmerend waar Dirk de Ruijter broodbakker werd. Bij zijn overlijden was zijn beroep ‘besteller van goederen’. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 werd de boerderij met een oppervlakte van 256 m² getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. De kavel stond nog op naam van Dirk de Ruijter, maar in hetzelfde jaar verkocht hij het geheel aan Cornelia Petronella van Loosen.
Cornelia Petronella van Loosen (1772-1846) stamde uit een oud regentengeslacht uit Enkhuizen. Zij was de enige dochter en dus erfgename van de hoofdtak van deze voorname, rijke familie die in de Beemster de buitenplaats Langewijk bezat. Ze trouwde in 1793 met luitenant-ter-zee Samuel Snoeck (1766-1839) uit Leiden. Hij was later lid van de Tweede Kamer (1815-1816). Samuel Snoeck verkreeg, naar verluid tegen betaling, het recht om de naam van zijn vrouw aan de zijne toe te voegen en veranderde vanaf dat moment zijn naam in Snouck van Loosen. Het paar kreeg zes dochters, van wie alleen de tweede dochter trouwde maar zij stierf kinderloos. De ongehuwde zusters bleven bij elkaar wonen in het grote huis aan de Dijk in Enkhuizen. De langstlevende, Margaretha Maria Snouck van Loosen (1807-1885), bepaalde bij testament dat haar bezittingen voornamelijk naar goede doelen gingen. In Enkhuizen bestaat nog steeds het Snouck van Loosen-fonds. De nalatenschap bestond uit ruim 8 miljoen gulden in waardepapieren en onroerend goed, onder andere in de Beemster. Deze legateerde zij aan haar achterneven en -nichten Snoeck. In 1890 maakten deze een nadere verdeling van de bezittingen, waarbij het oostelijk deel van de DK91, tussen de Jisperweg en de Vrouwensloot, met boerderij Groenlant in bezit kwam van Theodora Snoeck en het westelijke, onbebouwde gedeelte (nu Schermerhornerweg 1) door Johanna Snoeck werd verkregen.
Margaretha Maria Snouck van Loosen
Theodora Snoeck (1845-1935) was een dochter van Matthijs Dirk Snoeck die boerderij Langewijk aan de Oostdijk beheerde. Nadat haar eerste echtgenoot Klaas Baas uit Koog aan de Zaan was overleden, hertrouwde zij in 1880 met Arie Bos (1845-1915). Aanvankelijk gingen zij in de Purmer onder de jurisdictie van Edam wonen, waar hun oudste zoon Arie werd geboren. Enkele maanden later verhuisden zij naar boerderij De Eenhoorn aan de Middenweg in de Beemster. Daar kregen ze nog een zoon. Groenland bleef een pachtboerderij.
Pieter de Jager (1864-1945) was in 1892 getrouwd met Grietje van der Meer. Zij gingen boeren op de nieuw gebouwde boerderij aan de Schermerhornerweg op het westelijk deel van de DK91. Er werden vijf kinderen geboren. In 1923 verkocht Pieter de Jager zijn beide boerderijen en vertrok naar Schoorl. Koper werd voor ƒ 18.900 Cornelis Reindertsz Visser uit Heiloo.
Cornelis Visser (1864-1930) was geboren aan de Jisperweg in de Beemster als zoon van Reindert Visser en Johanna Maria Blom. Hij trouwde in december 1892 met de 18-jarige Trijntje Kooijman. Ze kregen twee kinderen. Van 1901 tot 1919 woonden ze aan de Jisperweg en verhuisden toen naar Amsterdam. In 1923 keerde Cornelis Visser terug naar zijn nieuwe bezit in de Beemster, alleen want zijn vrouw was een jaar daarvoor overleden. In februari 1927 vertrok hij naar Alkmaar waar hij enkele maanden na zijn tweede huwelijk stierf. Ondertussen had hij de boerderij Groenland met 6,5 hectare weiland voor ƒ 21.600 verkocht aan Willem Stadegaard.
Wilhelmus Petrus Stadegaard was in 1875 in Purmerend geboren. Hij trouwde in 1900 met Agatha Maria van Diepen. Ze woonden maar twee jaar aan de Schermerhornerweg en vertrokken toen met hun oudste zoon naar Bergen. In januari 1929 verkocht hij de boerderij met land aan Hendrik Met. Twee maanden later werd het vee, gereedschappen en inboedel verkocht.
Hendrik Met (1869-1950) trouwde in 1899 met Sijtje Otjes (1874-1948). Ze woonden op boerderij Uilenhoeve aan de Jisperweg. Ze kregen drie zoons en twee dochters. De oudste dochter Grietje ging met haar man boeren op Groenland. In 1930 werd er een varkensschuur bijgebouwd en in 1941 werd de voorgevel vernieuwd. Waarschijnlijk is de houten gevel toen vervangen door steen. Hendrik Met was in 1935 verhuisd naar de Kanaaldijk in Oudorp. In 1949 werd na de dood van Sijtje bij successie Hendrik eigenaar voor 3/5 en de nog in leven zijnde kinderen elk voor 1/10. Twee jaar later, toen Hendrik was overleden, kwam bij de boedelscheiding boerderij Groenland in bezit van Grietje Met en haar man.
Grietje Met was geboren in 1905. Ze trouwde in 1929 met Dingenum Oostwouder uit Oterleek. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren. In 1954 volgde een echtscheiding, waarna Grietje alleen eigenaar van de boerderij aan de Schermerhornerweg werd. In 1981 werd deze met 0,87 ha land verkocht aan Johannes Cornelis Raadschelders, een ondernemer uit Amsterdam. In november 1989 werd een bouwvergunning verleend aan J. van den Berge voor de verbouw van de boerderij.
Op 1 mei 1871 was Tijmen Ploeger (1842-1900) uit Grosthuizen als pachter op de boerderij gekomen. Hij kwam uit Avenhorn met zijn vrouw Neeltje Pijl en hun twee dochtertjes. In de Beemster werd nog een zoon geboren. Van 1900 tot 1916 was Dirk de Graft uit Kwadijk de pachtboer. Bij de Landbouwtelling van 1910 bezat hij twee paarden, zestien melkkoeien, zes schapen met een lam en negen kippen. In april 1916 vertrok hij met zijn vrouw en dochtertje naar Wijdenes. Na de dood van haar man verkocht Theodora Snoeck boerderij Groenland aan Pieter de Jager.
Theodora  Snoeck
N. van der Lee, Boerderij De Eenhoorn, p 91