Schermerhornerweg 3
Spitsbergen

kavel
DK92
verpondingsnummer
332
bouwjaar
1881
wijk (1800)
4-356
OAT nummer
A273
eerste boerderij
c. 1614
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Lambert van Tweenhuysen (1564-1627) kwam uit een vooraanstaande familie in Zwolle. Hij vertrok naar Amsterdam en trouwde in 1591 met Janneken Camferbeeck die ook was geboren in Zwolle. Beiden waren luthers en Lambert speelde al snel een belangrijke rol in de lutherse gemeente in Amsterdam. Haar vader Hendrick was een aanzienlijk koopman en zijn schoonzoon raakte spoedig bij zijn activiteiten betrokken. Weldra was Lambert van Tweenhuysen een van de prominente Amsterdamse kooplieden in het begin van de 17e eeuw. Hij was zeer veelzijdig en handelde onder andere in zout, graan, hout, wijn, specerijen en bont. Zijn handelscontacten liepen uiteen van de Witte Zee, de Baltische staten, Frankrijk, het Iberisch schiereiland tot de Middellandse Zee en Istanbul. In 1611 begaf hij zich ook in de walvisvaart. Onder de naam Compagnie Van Tweenhuysen stuurde hij een jaar later schepen naar Spitsbergen en naar de door Henry Hudson ontdekte gebieden in Noord-Amerika. Hij behoorde tot de oprichters van de Noordsche Compagnie in 1614 die het monopolie op de walvisvaart in de Noordelijke IJszee verkreeg. In hetzelfde jaar richtte hij de Nieuw-Nederland Compagnie op voor de handel met Noord-Amerika. Onder de vlag van deze compagnie werd de eerste nederzetting, Fort Nassau, gesticht waaruit later New York zou ontstaan. In Haarlem bezat hij een zeepziederij aan het Spaarne in verband met zijn belangen in de traanhandel en even buiten die stad had hij een blekerij.
De boerderij op de minuutplan uit 1813 van het Kadaster (Noord-Hollands Archief)
Foto Jan Jobsis
Voorgevel Amstel 216 (stadsarchief Amsterdam)
De boerderij met de familie Bakker, c. 1915,
Collectie Historisch Genootschap Beemster
Groenlant en Spitsbergen aan de Schermerhornerweg bij de Vrouwensloot in 1644
Hij was een van de investeerders in de droogmaking van de Beemster en verwierf in 1612 diverse kavels. Maar toen in 1633 de zoons Lambrecht en Hendrick de nalatenschap van hun ouders verdeelden, waren er nog twee kavels over. Lambrecht kreeg de DK89 en Hendrick de DK92 met het huis en de boomgaard daarop.
Mr. Hendrick van Tweenhuysen
was in 1594 geboren als tweede zoon van Lambert en Janneken. Hij studeerde rechten in Leiden. Hij nam in juli 1636 een hypotheek van ƒ 6000 tegen 5% op de boerderij met land. In december 1638 verkocht hij de kavel aan Jan Gerritsz Hartgers.
Jan Gerritsz Hartgers was een doopsgezinde Amsterdamse koopman. Hij kocht in die jaren meer stukken land in de Beemster. Na zijn dood vererfden die op zijn twee nog in leven zijnde kinderen, Floris en Elisabeth. Floris Jansz Hartgers overleed ongehuwd in januari 1654 en Elisabeth Jans Hartgers had uit haar huwelijk met Steven Olferse geen kinderen, zodat de nakomelingen van hun zuster Aafje die getrouwd was geweest met Willem van Sanen, erfgenamen waren.
Lambert van Tweenhuysen
De Dijkkavels 91 en 92 waren gelegen aan weerszijden van de Schermerhornerweg die toentertijd niet verder liep dan de Jisperweg. De kavels kwamen bij de verloting van de grond in 1612 in bezit van Arent ten Grotenhuijs en Lambert van Tweenhuysen. Beide Amsterdamse kooplieden waren betrokken bij de handel op Rusland via de Witte Zee en bij de walvisvaart. Waarschijnlijk gaven zij daarom hun recht tegenover elkaar gebouwde boerderijen de namen Groenlant en Spitsbergen.
Een probleem vormde daarbij nicht Catharina van Sanen die tegen de zin van haar familie was getrouwd met Gijsbert Dommer. Hij kwam uit een vooraanstaande familie die in Amsterdam tot de Alteratie van 1578 ook bestuurlijke functies had bekleed. Maar omdat ze katholiek bleven waren ze daarna uitgesloten van ambten. Gijsberts vader Pieter, koopman en zeepfabrikant, had een belangrijk huwelijk gesloten met de rijke Catharina van Beresteyn uit Enkhuizen. Gijsbert Dommer (1628-1673) was het derde kind. Na zijn opleiding ging hij eerst naar Hamburg en daarna naar Danzig om het vak te leren. Bij zijn terugkeer leerde hij zijn achternicht Catharina van Sanen kennen. Zoals hij zelf in zijn memoires schrijft “begonder soo wat genegentheyt te comen, soo dat wy malkanderen mondeling beloofden”. Maar haar oom Floris en peettante Lijsbet waren mordicus tegen deze verbintenis. Waarom is niet helemaal duidelijk. Was Gijsbert een losbol? Of wilden ze geen katholiek in de familie? In ieder geval liet Floris in zijn testament vastleggen dat Catharina, als ze het huwelijk zou doorzetten, uitgesloten zou zijn van zijn nalatenschap. Gijsbert en Catharina wachtten tot na haar 20e verjaardag en trouwden in juli 1654. Ze kregen twaalf kinderen. Voor Catharina was 23 september 1664 een zwarte dag, want haar vader Willem en twee broers stierven die dag aan de “besmettende zieckte”, waarschijnlijk de pest.
Catharina van Sanen
Gijsbert Dommer was eigenaar van de buitenplaats Den Haring aan de Vecht en hij bezat veel onroerend goed in Amsterdam. Zo had hij de hele hoek van de Herengracht en de Amstel. Daar liet hij door bouwmeester Adriaen Dortsman een groot huis (nu Amstel 216) bouwen in de strakke stijl die na 1660 in zwang kwam. Zoon Pieter legde op 6 mei 1670 de eerste steen.
Intussen was in november 1667 tante Elisabeth Jans Hartgers overleden. Kennelijk had zij zich uiteindelijk verzoend met haar nicht, want in haar testament had zij bepaald dat Catharina van Sanen die weliswaar tegen haar zin met Gijsbert Dommer was getrouwd maar omdat zij nu “met malkanderen in goede Vrede, eerlyck Leeven”, niet zou worden uitgesloten van haar deel in de nalatenschap, maar dat de erfenis belast zou worden met fideï-commis. Dat betekent dat het bezit niet mag worden vervreemd. Toch ontstond er enkele jaren later onenigheid in de familie over de erfenis die ruim 400.000 gulden beliep. Aan de ene kant stonden de kinderen Dommer en aan de andere kant de voogden van de nog minderjarige Catharina Maria Blauw, het enige kind van Maria van Sanen uit haar huwelijk met Willem Blauw. Jarenlange procedures volgden, uiteindelijk kwam de zaak voor de Hoge Raad. Bij de arbitrage werd de kavel land met boerderij aan de Schermerhornerweg toegewezen aan Catharina Maria Blauw en Gerrit Dommer, ieder voor de helft.
Catharina Maria Blauw (1679-1723) trouwde in 1695 met Reijnier Schaep. Ze kregen slechts een zoon, Martinus Wilhelmus Laurentius Schaep, die geestelijk gehandicapt was. Catharina Maria had van haar moeder een stuk grond met oude huizen, hooiberg en schuur in Abcoude geërfd. Samen met haar man liet zij de oude huizen slopen en bouwde er de buitenplaats Holendrecht. Een jaar na het overlijden van Reijnier in 1715 hertrouwde Catharina Maria met Jean le Breton van Doeswerff. Volgens het testament van Maria uit 1722 waren haar zoon en haar echtgenoot gezamenlijk erfgenaam van haar nalatenschap. Na haar dood stelde Martinus zijn stiefvader aan als erfgenaam. De familie Dommer was het hier niet mee eens. Zij probeerden Jean in diskrediet te brengen door hem ervan te beschuldigen niet goed voor zijn stiefzoon te zorgen. Uiteindelijk sloten ze een overeenkomst waarbij de familie Dommer mede-erfgenaam zou zijn. Na de dood van Martinus werd in 1736 zijn nalatenschap verdeeld en kreeg Jean le Breton van Doeswerff de helft van de DK92. Omdat hij kinderloos overleed, viel dat toe aan zijn neef mr. Alexander le Breton van Doeswerff uit Leiden.
Mr. Alexander le Breton van Doeswerff (†1776) was de rijkste katholieke inwoner van Leiden. Zijn vermogen bedroeg ruim 381.000 gulden, waarvan ongeveer de helft bestond uit onroerend goed. Hij bezat vooral veel huizen in zijn geboortestad Amsterdam. Maar ook had hij in 1763 een buitenhuis bij Zoeterwoude gekocht dat hij in de jaren daarna liet verfraaien en uitbreiden. Hij bleef ongehuwd en na zijn dood besloten zijn executeurs-testamentair zijn aandeel in boerderij Spitsbergen te verkopen.
Gerrit Dommer (1670-1732) was een katholieke koopman in Amsterdam. Uit zijn huwelijk met Maria Spies werden tien kinderen geboren. Maria was van 1715-1736 regentes van het Rooms-Katholieke Maagdenhuis in Amsterdam. Hun zoon Gijsbertus Willebrordus Dommer (1699-1753) erfde de helft in de DK92. Hij trouwde eerst in 1725 met Catharina Maria de Wit (†1735) en hertrouwde in 1738 met zijn achternicht Anna Maria Dommer (†1744). Zij stierf in het kraambed bij de geboorte van een dochtertje.
In 1776 besloten de vijf kinderen van Gijsbertus de door hen geërfde halve kavel aan de Schermerhornerweg te verkopen. Op een openbare veiling in Purmerend werden de beide helften tegelijkertijd verkocht voor hetzelfde bedrag, tweemaal ƒ 6946,75 aan de weduwe Trijntje Jurriaans.
Trijntje Jurriaans Maijer († 1777) was eerst getrouwd geweest met Pieter Nol († 1755) en hertrouwde met Jan Boukes († 1768). Ze woonden op een boerderij aan de oostzijde van de Jisperweg nabij de Schermerhornerweg. In 1778 verdeelden de kinderen Nol en de voogden van de minderjarige Arian Jansz Boukes de beide boerderijen, waarbij Spitsbergen toeviel aan Marijtje Pieters Nol en Arian, ieder voor de helft. In 1783, ondertussen hadden zij gezamenlijk nog een boerderij gekocht, besloten zij hun compagnieschap te beëindigen. Het gezamenlijke bezit werd verdeeld en Marijtje werd alleen eigenaar van boerderij Spitsbergen.
Marijtje Pieters Nol (1747-1818) was in 1774 getrouwd met Cornelis Gleijnis (1750-1828) uit de Schermer. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren die allemaal in Schermerhorn werden gedoopt. Dat was niet ongebruikelijk, vrijwel alle families in de noordwestelijke hoek van de Beemster gingen in Schermerhorn naar de kerk. Slechts één dochter, Trijntje, bleef in leven. Waarschijnlijk woonden Marijtje en Cornelis al sinds hun huwelijk op Spitsbergen. In 1781 leende Cornelis ƒ 1500 van burgemeester Pieter Timmer van Jisp met de helft van zijn vrouw als onderpand. In 1795 was Cornelis Gleijnis een van de leden van het Comité Revolutionair dat de Bataafse omwenteling in de Beemster vorm gaf. Een van de andere leden was Dirk de Boer. In 1803 sloot Cornelis met hem een deal. Hij verruilde Spitsbergen voor de kavel DK64 en kreeg nog ruim ƒ 6800 toe.
Dirk Klaasz de Boer (1744-1820) was een koopman die afwisselend in de Beemster en De Rijp woonde. Hij was getrouwd met Maartje Klaas, ze kregen twee kinderen. Hij had van zijn ouders de boerderij met land op de DK78 geërfd. In 1773 kocht hij ruim zeven morgen land op de naastgelegen kavel DK79. Elf jaar later kocht hij voor 400 gulden een tuin en speelhuis aan de Rijperweg in de Klaterbuurt en de jaren daarna nogmaals 11 morgen voor ƒ 8800 en een boerderij op dezelfde kavel. In de jaren 1780 en 1790 kocht en verkocht hij regelmatig landerijen. Om deze transacties te financieren nam hij hypotheken op zijn boerderij met land aan de Wormerweg, in 1797 zelfs een lening van 5000 gulden op al zijn landerijen. Op dat moment was Dirk dijkgraaf ad interim van de Beemster, een functie die hij sinds de Bataafse revolutie van 1795 bekleedde. Zijn zoon Cornelis was toen lid van het Comité Revolutionair. Na de ruil met Cornelis Gleijnis ging Cornelis de Boer met zijn vrouw en drie kinderen wonen op Spitsbergen. Zij bleven er tot hij in december 1810 verhuisde naar zijn vaders boerderij aan de Wormerweg (DK78-79) die hij toen in eigendom kreeg. Bij de scheiding van de nalatenschap van Dirk de Boer in 1822 werd Spitsbergen toebedeeld aan dochter Jannetje.
Jannetje de Boer (1770-1825) was in 1802 getrouwd met Dirk Zwemmer. Ze woonden op boerderij Groenland aan de overkant van de Schermerhornerweg. Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren die ook allemaal in Schermerhorn werden gedoopt. Na de dood van Jannetje verdeelden de drie nog in leven zijnde kinderen in 1829 de nalatenschap waarbij beide zoons, Dirk en Cornelis Zwemmer, gezamenlijk boerderij Spitsbergen erfden.
Dirk Zwemmer (1812-1846) bleef ongehuwd. Cornelis Zwemmer trouwde in 1833 met Aagje Pieters Eijssen, zij stierf reeds twee jaar later. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 had de boerderij een oppervlakte van 220 m² en werd aangeslagen in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. De gebroeders Zwemmer verkochten de boerderij in 1838 aan Gerrit Visser van Hazerswoude.
Gerrit Visser van Hazerswoude (1807-1872) kocht de hoge heerlijkheid Hazerswoude van Willem baron Roëll. Hij was getrouwd met Grietje Houttuijn, dochter van een rijke Zaanse koopman. Hun zoon Dirk kreeg na de dood van zijn vader diens Beemster landerijen. In 1841 echter was de oude boerderij Spitsbergen gesloopt. De restanten brachten in een openbare veiling ƒ 342 op.

Mr. Dirk Visser van Hazerswoude (1830-1890) was advocaat in Amsterdam en later politicus voor de Liberale Unie. Hij was eerst lid van de Eerste Kamer en later van de Tweede Kamer. Ook was hij voorzitter van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw. Hij erfde van zijn vader ook het landgoed Westerhout in Heemstede. Zijn huwelijk met jonkvrouwe Marie Anne Catharine van Merlen bleef kinderloos. Zijn zuster was zijn erfgenaam. Dirk Visser van Hazerswoude liet in 1881 een nieuwe boerderij bouwen op zijn weilanden aan de noordzijde van de Schermerhornerweg op dezelfde plek van de oude boerderij. De oppervlakte werd nu 430 m². De eerste jaren gold er vrijdom van belastingbetaling, maar nadat deze werd opgeheven werd de geschatte huurwaarde vastgesteld op ƒ 225, later bijgesteld naar ƒ 178.
Dirk Visser van Hazerswoude
Clasina Alida Visser van Hazerswoude (1839-1912) was getrouwd met een broer van haar schoonzuster, jonkheer Jean Baptiste van Merlen (1833-1909). Hij kwam uit een geslacht van militairen. Zijn gelijknamige grootvader sneuvelde in de slag bij Waterloo. Zijn vader Bernard, generaal-majoor, nam deel aan de Belgische veldtocht in 1830. Jean Baptiste zelf was ritmeester bij de cavalerie. In 1873 kocht het echtpaar voor ruim 200.000 gulden van de erven Hope landgoed Groenendaal in Heemstede. In feite betaalde Clasina Alida dit met de erfenis van haar vader. Het landgoed was sterk verwaarloosd, maar de nieuwe eigenaren lieten het opknappen en maakten er een lusthof van met herten in het park. In 1913 na de dood van Clasina Alida is het gehele landgoed van circa 86 ha gekocht door de gemeente Heemstede. Per 1 mei 1910 kwam Hendricus Bakker als pachter op boerderij Spitsbergen. Hij kwam uit Wijdenes en was in 1894 getrouwd met Trijntje Mantel uit Venhuizen. Hun enige dochter Antje Bakker was geboren in Heerhugowaard en trouwde in 1918 met IJsbrand Hartog, haar ‘buurjongen’ van de Jisperweg. Hendricus Bakker had in 1910 bij de Landbouwtelling 8,75 ha land in pacht, waarop hij tien melkkoeien, zes schapen en negen lammeren, één varken en zes kippen hield.
Jhr. Mr. Bernard Cornelis van Merlen (1862-1942) erfde de boerderijen in de Beemster van zijn moeder. Hij was hoofdingeland van het Waterschap De Beemster. Van 1896 tot 1905 was hij burgemeester van Heiloo. Later woonde hij in Bilthoven. Bij een nadere scheiding van de nalatenschap van zijn ouders ging boerderij Spitsbergen echter naar zijn jongere broer.
Jhr. Jean Baptiste van Merlen (1880-1950) woonde sinds 1913 in Potsdam in Duitsland. Hij liet daar een villa in neoclassicistische stijl bouwen. Zijn huwelijk met de Duitse Marie Stittrich bleef kinderloos, zodat de Nederlandse tak van deze adellijke familie uitstierf. Zijn weduwe erfde de boerderij met land aan de Schermerhornerweg. Een gedeelte van het erf van de boerderij was in 1935 verkocht aan de provincie Noord-Holland in verband met de aanleg van de provinciale weg. Toen is ook de Schermerhornerweg doorgetrokken naar de Middenweg.
In 1956 werd Spitsbergen verkocht aan
Jan Jz Boon. Hij liet ten behoeve van zijn veebedrijf in de jaren daarna diverse schuren en loodsen bijbouwen. Sedert 1987 is Matthijs Theo Boon de eigenaar. Hij kreeg in 1988 een bouwvergunning voor de verbouwing tot woonboerderij. Het boerenbedrijf is momenteel gespecialiseerd in het opfokken van zwartbonte kalveren. Ook hebben Ted Boon en zijn vrouw Afra sinds enkele jaren een viertal hotelkamers in de boerderij gemaakt die zij verhuren als bed en breakfast.