Volgerweg 1
 

Collectie Historisch Genootschap Beemster
kavel
DK50
verpondingsnummer
20
bouwjaar
onb., voor 1832
wijk
B54
OAT nummer
F111
eerste boerderij
2e helft 17e  eeuw
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. Bij deze loting werd de Dijkkavel 50, groot 20 morgen, aan het westeinde van de Volgerweg toebedeeld aan Jan Poppen (1545-1616). Deze Amsterdamse koopman kwam oorspronkelijk uit Holstein. Hij raakte al in de jaren 1590 betrokken bij de compagnieën die op Oost-Indië gingen handelen. Bij de oprichting van de VOC in 1602 nam hij voor ƒ 12.000 aandelen en werd als een van de bewindhebbers aangesteld. Hij was een grote investeerder in de droogmaking van de Beemster en verkreeg 290 morgen land.  Zijn zoon Jacob Poppen, die zelf ook investeerde in het project en 113 morgen kreeg, erfde de landerijen van zijn vader.
De Gulden Steur aan de Kloveniersburgwal
Jacob Poppen
De boerderij op de minuutplan uit 1813 van het Kadaster (Noord-Hollands Archief)
Jacob Poppen (1576-1624) was sedert 1609 lid van de vroedschap van Amsterdam en werd driemaal tot burgemeester gekozen. In 1618 werd hij bewindhebber van de VOC. Ook was hij als een der ondertekenaars van het rekest vanaf het begin betrokken bij de droogmaking van de Beemster. Derhalve was hij hoofdingeland. Poppen was een zeer rijke koopman, zijn nalatenschap bedroeg ruim 900.000 gulden. In 1634 werden op verzoek van de voogden van Jacob’s minderjarige kinderen, Elisabeth en Joan, zijn landerijen in de Beemster getaxeerd: hij bezat ruim 440 morgen die zo’n ƒ 471.000 waard was. De nog onbebouwde kavel land aan de Volgerweg werd geschat op ƒ 850 per morgen. Het vererfde op zoon Joan.
Foto Boerderijenbeeldbank
Joan Poppen (1617-1654) bekleedde in Amsterdam geen bestuurlijke functies omdat hij net als zijn moeder rooms-katholiek was. Hij was wel hoofdingeland van de Beemster. In Amsterdam liet hij in 1642 op de Kloveniersburgwal een huis, genaamd ‘De Gulden Steur’, bouwen, ontworpen door de veel gevraagde architect Philips Vingbooms. Joan Poppen trouwde met Elisabeth van der Wiele van der Werve. Hij overleed “in de bloei zijns levens, te veel aan den wijn overgegeven”. Hun dochter Adriana Johanna erfde de DK50.
Adriana Johanna Poppen was in 1695 op latere leeftijd getrouwd met mr. Reijnier Jacob Coetenburgh († 1709), een weduwnaar uit Alkmaar. Zij had geen kinderen dus stelde ze bij testament de drie kinderen van haar oudste broer Jacob aan als erfgenamen. Zij verdeelden in 1712 de nalatenschap van hun tante, waarbij Catharina Poppen († 1723) de boerenwoning aan het einde van de Volgerweg kreeg. Waarschijnlijk was in die periode Sijmon Cornelisz Smout (1690-1728) de pachter. In het begraafregister staan enkele van zijn kinderen vermeld met als adres ‘aan’t westent van de Volgerweg’. Sijmon trouwde tweemaal, zijn eerste vrouw was in het kraambed gestorven. Uiteindelijk werden twee van zijn kinderen volwassen. Catharina Poppen stierf ongehuwd, zodat haar broer Joan en zuster Elisabeth Maria haar bezittingen in de Beemster erfden. Na de dood van Elisabeth Maria Poppen in 1730 was Joan de enige eigenaar.
Joan Poppen (c.1670-1738), heer van Grijsoord, staat als eigenaar vermeld in het verpondingsregister. Hij kwam in grote financiële problemen. In augustus 1735 nam hij voor ruim 64.000 gulden hypotheken bij verschillende leden van de joodse bankiersfamilie Cappadoze op zijn Beemster landerijen, waaronder de DK50. Hij overleed kinderloos en zijn executeurs-testamentair besloten de landerijen te gelde te maken. In een openbare veiling werd de boerderij met 18 morgen grasland verkocht voor ƒ 370 per morgen. Koper was de weduwe van Claas Bruijn voor ƒ 6600.
Marietje Pieters Mol († 1757) was geboren in Jisp als dochter van Pieter Pietersz Mol, een reder ter walvisvaart. Zij trouwde in 1704 met Claas Arentsz Bruijn (1683-1718), een doopsgezinde koopman uit Monnickendam. Hij bezat de zeepziederij De Bruijnvis aan het Noordeinde. Na zijn dood zette Marietje het bedrijf voort. De twee kinderen, Arent en Alida Bruijn, verkochten na de dood van Marietje de zeepziederij en verdeelden haar nalatenschap. Alida erfde de boerderij in de Beemster.
Alida Bruijn (1707-1777) runde samen met haar moeder de zeepziederij. In 1734 trouwde ze met dr. Mattheus Huijsinga. Hij was stadsdokter van Monnickendam en tevens apotheker. Hun enige dochter Maria trouwde in 1769 met Engel Dekker uit Rotterdam en stierf een jaar later bij de geboorte van haar dochter. Zij erfde uiteindelijk de boerderij aan de Volgerweg.
Maria Huijsinga Dekker (1770-1839) trad in 1791 in het huwelijk met Michiel Marinus de Monchy (1758-1818). Enkele jaren eerder had hij een belangrijke politieke rol gespeeld in het stadsbestuur van Rotterdam. Hij was een vurig patriot en werd in 1787 vroedschap van Rotterdam toen de patriotten de macht grepen. Een jaar later werd hij door prins Willem V die met de hulp van de Pruisische koning in zijn macht was hersteld, ontslagen. Op een openbare veiling in de Beemster op 28-8-1792 liet Michiel Marinus de Monchy namens zijn vrouw de huismanswoning met grasland op de DK50 voor ƒ 7695 verkopen.
Dieuwertje en Jannetje Pieters Zijp waren de nieuwe eigenaressen. Zij namen een lening van 2000 gulden om de koop te financieren. Dieuwertje en Jannetje bleven beiden ongehuwd. Dieuwertje overleed in 1794 en Jannetje tien jaar later. Bij testament liet Jannetje Pieters Zijp de boerderij na aan haar neef Pieter Jansz de Groot.
Pieter de Groot (1774-1835) was de zoon van een timmerman in Middenbeemster. Zijn schoonmoeder was Aafje Pieters Zijp, een zuster van Dieuwertje en Jannetje. Hij trouwde met Suwtje Wit. Twee van hun vier kinderen stierven jong. Ze woonden eerst aan de Volgerweg, maar nadat Pieter in 1817 boerderij Duisburg aan de Middenweg had gekocht, verhuisde het gezin daarheen. Vanaf 1825 was Pieter Pietersz Met (1799-1865) pachter op de boerderij aan de Volgerweg. Hij kwam uit Obdam en was kort daarvoor getrouwd met Maartje Wit. Suwtje was haar tante. Volgens de Volkstelling van 1830 woonde Pieter er met zijn vrouw, drie zoontjes, een werkman en een dienstbode. Daarna kreeg het paar nog twee dochters.
Bij de invoering van het Kadaster in 1832 had het huis met erf een oppervlakte van 291 m2 en werd het ingedeeld in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van 45 gulden. Pieter de Groot was toen nog steeds eigenaar. Na zijn dood kreeg de weduwe 7/8 en beide kinderen 1/8 van de nalatenschap, waarbij Suwtje levenslang het vruchtgebruik bezat. Zij stierf op 87-jarige leeftijd in januari 1867. Daarna kwam de boerderij aan de Volgerweg in bezit van zoon Jan.
Jan de Groot (1816-1898) was in 1839 getrouwd met Antje Maartens Tromp uit de Purmer. Zij was evangelisch-luthers en ook de kinderen kregen dit geloof. Ze woonden eerst aan de Middenweg in de Beemster, waar de twee oudste kinderen werden geboren. Daarna verhuisden ze naar Monnickendam en kregen nog een zoon die op 14-jarige leeftijd overleed. In 1859 gingen ze aan de Koemarkt in Purmerend wonen. In 1873 verkocht Jan de Groot de boerderij in de Beemster aan Cassen Mehrengs.
Cassen Mehrengs (1810-1889) was aangetrouwde familie van Jan de Groot. Jan’s dochter Susanna was de vrouw van de zoon van Mietje Mehrengs, een zuster van Cassen. Hun vader was een ‘poep’ uit Oost-Friesland die zich blijvend in de Beemster had gevestigd. Ook de familie Mehrengs was evangelisch-luthers. Cassen Mehrengs ging na zijn huwelijk in 1838 met Lijsbeth Jans Klerk (1814-1890) uit de Wijdewormer boeren aan de Zuiderweg.
Het paar kreeg zes zoons en twee jonggestorven dochtertjes. Vier zoons werden volwassen, maar de oudste stierf ongehuwd op 24-jarige leeftijd. De tweede zoon, Cornelis Mehrengs (1846-1930) werd pachter op de boerderij aan de Volgerweg. Later verhuisde hij naar de Wormerweg. Hij trouwde driemaal, zijn eerste twee echtgenotes stierven in het kraambed. Bij de verdeling van de erfenis van hun ouders kreeg echter niet Cornelis, maar zijn jongste broer Jan de boerderij.
Jan Mehrengs (1855-1901) had zich na zijn huwelijk in 1877 met Trijntje Kraij uit Oostknollendam aldaar gevestigd als graankoopman. In maart 1901 liet zijn weduwe de boerderij met land publiek verkopen. Het geheel was tot mei 1902 verhuurd aan Jan Laan. Hij was een kleinzoon van bovengenoemde Pieter de Groot en geboren op boerderij Duisburg aan de Middenweg. Na beëindiging van zijn pachtovereenkomst vertrok Jan Laan met zijn drie kinderen naar De Rijp, zijn vrouw was in 1901 overleden.

De nieuwe eigenaar was
Jan Schmidt (1839-1935). Hij was in Purmerend geboren maar zijn ouders waren naar de Beemster verhuisd. In 1869 werd Jan Schmidt gemeentesecretaris en enkele jaren later ook gemeenteontvanger. In 1897 vroeg hij ontslag uit beide ambten. Volgens de krant was hij altijd “bekwaam, ijverig en hulpvaardig” geweest. Hij bekleedde ook diverse andere bestuurlijke functies. In 1873 kocht hij een stuk grond in de zuidoostelijke hoek van het Koolland en liet daar een huis bouwen. In oktober van datzelfde jaar trouwde hij met Trijntje Abbring (1839-1901), dochter van de hoofdonderwijzer van de school in Middenbeemster. Ze kregen vier kinderen, het oudste dochtertje overleed op de leeftijd van vijf maanden. De twee jongste kinderen bleven ongehuwd en woonden bij hun vader in.
Toen hij op de hoge leeftijd van 96 jaar overleed, was hij een van de oudste inwoners van de Beemster. In de krant verscheen een in memoriam, waarin geroemd werd hoezeer hij de Beemster liefhad en dat hij altijd “open oog en hand had voor zijn minder bedeelden medemensch”.

Bij de verdeling van de nalatenschap erfde zijn dochter
Neeltje Schmidt (1878-1954) de boerderij aan de Volgerweg. In 1949 verkocht zij deze aan Gerrit Klaasz Wiedijk (1903-1979). Hij was sinds mei 1935 de pachtboer. Gerrit was geboren in de Schermer en woonde na zijn huwelijk in 1926 met Beemsterlinge Neeltje Reuzenaar (1901-1990) eerst in Jisp. Daar werden ook hun twee kinderen geboren. In 1981 verkochten de erfgenamen van Gerrit Wiedijk de boerderij aan Renaldina Sofia Maria Wildschut en haar man Roeland Wilhelm Hessels. In november 1982 werd aan hen een bouwvergunning verleend voor de verbouwing van de boerderij.
In mei 1968 werd de stolpboerderij op de Rijksmonumentenlijst geplaatst. De boerderij is een langhuisstolp die nog grotendeels van hout is, met een rieten dak en houten topgevel met geschulpte windveren en een makelaar. Binnen bevinden zich een melkkelder, een opkamer en een betegelde schouw.
bouwtekening 1981, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed