Volgerweg 27
Veld en Kanaalzicht

kavel
BK83
verpondingsnummer
33
bouwjaar
onb., voor 1832
wijk
A189
OAT nummer
G347
eerste boerderij
voor 1628
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
De boerderij aan het begin van de 20e eeuw
Collectie Historisch Genootschap Beemster
Bij de verloting van de kavels van de zojuist drooggevallen Beemster op 30 juli 1612 werd de Binnenkavel 83 aan de Volgerweg toebedeeld aan Dirck Simey en de erfgenamen van Govaert Simey, ieder voor de helft. De initiatiefnemers en grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster, Dirck en Hendrick van Oss, waren geboren in Antwerpen. Nadat deze stad in 1585 weer in Spaanse handen was gekomen, vluchtten de broers naar het noorden en vestigden zich als kooplieden in Amsterdam. Hun zusters bleven in Antwerpen. Eén van hen was Sara van Oss die was getrouwd met Govaert Simey, een Antwerpse koopman. Zijn zwagers haalden hem over om ook in de droogmaking te investeren, maar hij was overleden voordat de gronden werden uitgegeven. Zodoende kregen zijn kinderen enkele kavels toebedeeld. De helft van de kavel BK83 kwam in bezit van vijf kinderen: Maria, Dirck, Johanna, Jan en Sara Simey. Na de dood van broer Jan verkochten Johanna en Sara in maart 1628 het van hem geërfde deel in het huis met 20 morgen land aan de Volgerweg aan broer Dirck. Er stond toen dus al een huis op de kavel. Dirck Simey (1579-1630) was de oudste zoon. Hij had zich ook als koopman in Amsterdam gevestigd. Hij bleef ongehuwd. De weeskamer van Amsterdam liet na zijn dood ten behoeve van zijn minderjarige erfgenamen zijn landerijen in de Beemster taxeren, waarbij zijn deel van de BK83 werd geschat op ƒ 900 per morgen. Nadat de kinderen van Maria Simey bij Abraham de Ceulenaer in 1643 hun deel aan tante Sara hadden overgedaan, was zij de enige eigenaar van de gehele kavel. In 1650 verkochten Sara Simey en haar man Jan Smussers de boerderij met land aan Abraham de Witte, een Amsterdamse koopman. Bij de verdeling van zijn erfenis in 1693 kregen zijn kleinkinderen Sijmon, Aletta en Maria Ravensberg de boerderij aan de Volgerweg in bezit. In 1699 verkochten zij deze aan hun nicht Aletta Witte.
Aletta Witte (1659-1733) was een dochter van Harman Witte, koopman en suikerbakker te Amsterdam. Hij had in 1674 de buitenplaats Volgerwijk aan de Volgerweg gekocht. Tien jaar later werd hij hoofdingeland van de Beemster. Aletta trouwde in 1686 met de weduwnaar Cornelis Borghorst († 1706). Ze kregen vijf kinderen. In 1716 liet Aletta Witte de boerderij met 20 morgen land aan de Volgerweg op naam van haar oudste zoon Harmanus Borghorst overboeken.
Harmanus Borghorst (1686-1759) was sedert 1720 vele malen hoogheemraad van de Beemster en werd in 1730 hoofdingeland. Uit zijn eerste huwelijk met Alida van Tarelink werd een zoon geboren die als huwelijksgift van zijn vader de boerderij had gekregen, zo verklaarde Harmanus in 1747 in het transportegister.
Jan Borghorst (1716-1755) werd in 1754 tot hoofdingeland van de Beemster benoemd, maar hij overleed reeds een jaar later. In 1741 was hij getrouwd met zijn nicht Maria van Tarelink (1719-1795). Hun enige dochter overleed jong. Na de dood van haar man erfde Maria de boerderij die ze direct voor ƒ 6000 verkocht aan haar schoonvader. Twee jaar later liet Harmanus deze wederom overboeken, ditmaal op naam van zijn zoon uit zijn tweede huwelijk.
Hermanus Borghorst (1733-1796) was net als zijn vader hoogheemraad en hoofdingeland van 1758 tot 1795, toen bij de Bataafse omwenteling alle hoofdingelanden werden afgezet. Hij was getrouwd met Agatha Cornelia van Nooten en woonde in Amsterdam op de Keizersgracht. Ter gelegenheid van het huwelijk van hun oudste zoon schonk Hermanus Borghorst hem de boerderij.
Mr. Hermanus Borghorst de jonge (1767-1815) werd in 1794 hoofdingeland van de Beemster. Hij was in 1791 getrouwd met Immagonda Maria Duyvensz (1770-1804). Zij stamde uit een oude Enkhuizer regentenfamilie. Toch was dit een echt ‘Beemster huwelijk’, want haar voorouders bezaten al sinds het midden van de 17e eeuw de buitenplaats Belvliet aan de Oostdijk. Het paar had elkaar tijdens het verblijf in de zomermaanden in de Beemster ontmoet. Ter gelegenheid van dit huwelijk werd een speciaal lofdicht gemaakt, waarin de schoonheid van de Beemster en haar buitenplaatsen werd geroemd. In 1797 nam Hermanus Borghorst een hypotheek van ƒ 5000 tegen 5,5% op zijn boerderij aan de Volgerweg. Twee jaar later verkocht hij deze voor 12.000 gulden aan Cornelis Cornelisz Binnewijzen. Als bijzonderheid staat daarbij vermeld dat de boerderij was gelegen “aan het schulppad”. Dat was het schelpenpaadje, een voetpad dat van Middenbeemster via de noordzijde van de Volgerweg naar Purmerend liep.
Cornelis Binnewijzen (1765-1827) kwam uit een van oorsprong West-Friese familie die sedert het midden van de 17e eeuw in de Beemster woonde. Diverse leden van deze familie bekleedden ook bestuurlijke functies in de Beemster zoals in de schepenbank. Waarschijnlijk was zijn vader Cornelis Pietersz Binnewijzen al pachter op deze boerderij, want in verschillende bronnen staat hij vermeld als wonende aan de Volgerweg. Cornelis was de jongste zoon uit diens huwelijk met Maartje Jans Swart. Cornelis junior bleef ongehuwd, zijn erfgenamen verkochten de boerderij in oktober 1827 aan Jan Vander uit Zaandam.
Jan Vander (1766-1831) was koopman en burgemeester van Zaandam. Hij zette zijn zoon Adriaan uit zijn huwelijk met Guurtje Duijn als pachter op de boerderij. Adriaan Vander Duijn (1809-1834) trouwde in 1829 met Jannetje Hogetoorn. Zij staan als bewoners vermeld in de Volkstelling van 1830. Er woonden een werkman en een dienstbode bij hen in. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 stond de boerderij nog op naam van de erven Binnewijzen, hetgeen direct werd gecorrigeerd in de kadastrale legger. Inmiddels was Guurtje Duijn (1773-1836) de eigenaresse. De boerderij had een oppervlakte van 210 m² en werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. Na de dood van Guurtje Duijn vererfde de boerderij op haar dochter Antje.
De minuutplan uit 1813, rechts het huis G347 (Noord-Hollands Archief)
Antje Vander (1804-1843) trouwde op 20-jarige leeftijd met Klaas Koopmans uit Amsterdam. Hij was toen directeur van een verzekeringsmaatschappij. Zijn vader was professor Rinse Koopmans. Deze was geboren in het Friese Grouw als zoon van een doopsgezinde vermaner. Hij werd in 1812 benoemd tot hoogleraar aan het Doopsgezinde Seminarie in Amsterdam. De nazaten uit zijn huwelijk met Janke Cnoop gingen zich Cnoop Koopmans noemen. In 1856 verkochten Klaas Koopmans en Antje Vander de boerderij aan Jan Luken voor ƒ 32.500.
Jan Luken (1871-1877) was geboren in Akersloot. Hij kwam rond 1850 naar de Beemster en kocht daar een boerderij met land aan de Zuiddijk. Die liet hij in februari 1856 in een openbare veiling in het Heerenhuis verkopen. Met de opbrengst kocht hij de boerderij aan de Volgerweg. Jan Luken trouwde driemaal, maar had geen kinderen. Zijn weduwe Grietje Doets, die twee maanden na de dood van haar man was verhuisd naar Oosthuizen, liet op 30-1-1878 de boerenplaats genaamd Veld- en Kanaalzicht met de “kapitale Huismanswoning, Schuur, Wagenhuis, Erf, Boomgaard, Moestuin, Melkhok en uitmuntend vruchtbaar Weiland” veilen.
Dit is de eerste keer dat de naam in de schriftelijke bronnen voorkomt, hoewel op de gedetailleerde topografische kaart in de Gemeente-Atlas van Jacob Kuyper uit 1868 de naam al staat. Koper was Simon Smit.
Simon Smit Evertsz (1849-1878) was in 1866 als “boerenleerling” uit zijn geboorteplaats Koog aan de Zaan naar de Beemster gekomen. In april 1872 trouwde hij met Geertje Hoogedijk (1853-1918) en ging boeren aan de Hobrederweg. Nauwelijks een maand nadat hij met zijn hoogzwangere vrouw en drie kleine kinderen naar de Volgerweg was verhuisd, overleed Simon Smit plotseling. Zijn weduwe erfde de boerderij. Ruim een jaar later hertrouwde zij met Cornelis Heijnis Teunisz (1853-1920) uit Monnickendam en kreeg met hem nog twee dochters. Cornelis Heijnis was hoofdingeland van het waterschap De Beemster. Hij was een bekend veefokker, regelmatig stonden berichten in de krant over zijn prijswinnende stieren en kalveren. In 1909 vertrokken Cornelis en Geertje naar Purmerend.
fragment kaart Beemster met boerderijnamen, 1868 (Waterlands Archief)
Het boerenbedrijf werd sedert 1901 gerund door haar jongste dochter uit haar eerste huwelijk, Grietje Smit (1878-1906) en haar man Pieter Kooij (1874-1943). Nadat Grietje enkele maanden na de geboorte van haar tweede kind was gestorven, hertrouwde Pieter in 1909 met haar halfzus Aaltje Heijnis (1883-1963). Hij verhuisde toen naar de boerderij waar hij geboren was.
Per 1 mei 1909 kwam Hendrik van Diepen als pachter op boerderij Veld Kanaalzicht. Op dezelfde dag trouwde hij met Johanna Margaretha de Wit. Uit dit huwelijk werden 12 kinderen geboren. In de Landbouwtelling van 1910 staat Hendrik van Diepen vermeld als pachter van 17 ha land. Hij bezat 1 paard, 17 melkkoeien en 10 kalveren, 9 schapen en 24 lammeren, 3 varkens, 7 kippen en 10 kuikens. In 1930 vertrok hij met zijn gezin naar Eindhoven.
Na de dood van Geertje Hoogedijk verkreeg Cornelis Heijnis 9/10 van de boerderij met land in eigendom, die in 1920 vererfde op zijn dochter Aaltje. De resterende 1/10 werd bezit van Geertje’s kleindochter Geertruida Kooij (1905-1988). Zij trouwde in 1925 met Cornelis Jonges Pz (1899-1978). Ze bewoonden een boerderij aan de Wormerweg tot Cornelis zijn vaders boerderij aan de Jisperweg in Noordbeemster overnam. In 1951 werden Cees en Truus Jonges de enige eigenaren van de boerderij aan de Volgerweg. Zoon Pieter ging er boeren. Na de dood van zijn moeder kocht Pieter Jonges de boerderij uit de nalatenschap. In 1970 liet hij een stal voor fokvarkens bouwen.

In mei 1968 werd de boerderij Veld en Kanaalzicht op de Rijksmonumentenlijst geplaatst. Volgens de omschrijving in het Monumentenregister betreft het een deels houten stelphoeve met bakstenen voorgevel met ingang in pilasteromlijsting en bekroond met houten puntgevel. De bekende boerderijendeskundige Klaas Uilkema (1873-1944) deed in 1921 onderzoek naar deze boerderij. Volgens hem zou de boerderij dateren van rond 1760. Het symmetrisch opgezette woonhuis had een centrale gang en grote kamers aan weerszijden. Door de aanwezigheid van een tweetal slaapkamers begon de koestal pas halverwege de zijbeuk en de door tot in de staart van de boerderij. Er was ruimte voor 24 stuks vee. Achter de boerderij stond een vrijstaande schuur die werd gebruikt als wagenstalling.
Foto en veldtekening gemaakt door Klaas Uilkema in 1921 (RCE)