Westdijk 41(a)

kavel
DK53
verpondingsnummer
359
bouwjaar
onbekend
wijk
C60
OAT nummer
F133
eerste boerderij
voor 1624
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Foto Boerderijenbeeldbank
Deze grootste investeerders in de droogmaking van de Beemster verkregen samen ongeveer eenzevende van de totale oppervlakte. In de eerste jaren na 1612 kochten ze nog veel land aan. De broers kwamen oorspronkelijk uit Antwerpen, maar waren na de herovering van deze stad door de Spanjaarden naar het noorden gevlucht. Ze vestigden zich als kooplieden in Amsterdam. In naam deden de broers alles samen, in de praktijk was Hendrick de ‘stille vennoot’ op de achtergrond terwijl Dirck de ondernemer was. Hij richtte zijn aandacht niet alleen op de aloude handelsgebieden (Oostzee, Frankrijk, Middellandse zee), maar vooral ook zocht hij nieuwe markten in de Levant, het Verre Oosten en Rusland. Dirck van Oss (1556-1615) behoorde tot de eerste Hollanders die via Archangel met de Russen in contact kwam. Hij stak geld in één van de eerste vloten die naar Indië gingen in de jaren 1590. Toen op initiatief van Van Oldenbarneveldt de VOC werd opgericht in 1602 kochten Hendrick en Dirck van Oss voor ƒ 47.000 aan aandelen. Dat leverde hen in de jaren daarna behoorlijke winsten op waarvoor ze op zoek gingen naar investeringsmogelijkheden. Die vonden ze in de Beemster. Bij zijn dood in 1615 bezat Dirck een vermogen dat wordt geschat op bijna 3 miljoen gulden.
Dirck van Oss in 1583 (Stedelijk Museum Alkmaar), Hendrick van Oss in 1610 (particulier bezit)
Wapenbord met kwartieren van Sara van Oss (Rijksmuseum)
Dirck van Oss de jonge (1590-1668) werd na de dood van zijn vader hoofdingeland van de Beemster. Hij werd in 1618 dijkgraaf en bleef dat gedurende 48 jaar, de langstzitende dijkgraaf ooit. Hij trad in 1666 om gezondheidsredenen af en overleed twee jaar later op zijn buitenplaats waar hij permanent verbleef.  Hij trouwde met zijn nicht Helena van Oerlen die jong stierf. Hun enige zoon Dirck overleed in 1651 en werd in de kerk te Middenbeemster begraven. Dijkgraaf Dirck van Oss bepaalde bij testament de verdeling van zijn nalatenschap. Bij de taxatie van de Beemster landerijen werd de DK53 geschat op ƒ 700 per morgen. De kavel werd toebedeeld aan twee nichten van Dirck, ieder voor de helft.
Bij de verdeling van de Beemster landerijen na de dood van Hendrick kwam de kavel in 1623 in bezit van Philips van der Straten. Hij was een jaar eerder getrouwd met Margareta van Oss (1601-1629), een dochter van Dirck. Hij verkocht de kavel een maand later aan zijn zwager Dirck van Oss junior. Deze sloot daartoe een lening van "een zeker zomme van penningen" af, waarbij het onderpand werd omschreven als een huis met bijna 20 morgen land. Er was toen al een huis aan de Westdijk gebouwd, zoals ook te zien is op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644.
Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. De Dijkkavel 53 aan de Westdijk naast de Graftdijkermolengang was een van de vele kavels die werd toebedeeld aan Hendrick en Dirck van Oss.
Wapenbord van Dirck van Oss junior (Gemeente Beemster)
Margaretha Commersteijn (1649-1727) was het enige kind van Dorothea van Oss (1623-1650) die kort na de geboorte overleed. Dorothea was de oudste dochter van David van Oss, de jongste broer van de dijkgraaf. Zij was getrouwd met dr. Johannes Commersteijn die aan de Fluwelenburgwal in Amsterdam een medische praktijk uitoefende. Margaretha trouwde in 1677 met de advocaat mr. Carel Six (1645-1690). Hij werd in 1683 hoofdingeland van de Beemster. Het paar woonde aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam. In 1704 verkocht Margaretha haar helft van de DK53 aan Johanna Maria van Reijgersbergh die van haar moeder Sara van Oss de andere helft had geërfd.
Sara van Oss (1632-1704) was de enige dochter van François van Oss, de middelste zoon van Dirck senior. Zij erfde dus al zijn bezittingen, waaronder ook de buitenplaats Zwaansvliet. In 1653 trouwde ze met mr. Joan van Reijgersbergh (1630-1693), afkomstig uit een Zeeuws regentengeslacht. Zijn tante Maria was beroemd geworden toen ze haar man Hugo de Groot in een boekenkist uit slot Loevesteijn, waar hij gevangen zat, wist te smokkelen. Joan was vroedschap van Middelburg en afgevaardigde van Zeeland in de Admiraliteit van Amsterdam. Sinds 1662, nadat Sara van Oss officieel haar geërfde landerijen op haar man's naam had laten overboeken, was Joan hoofdingeland van de Beemster. Enkele jaren later erfde Sara nog meer Beemster kavels uit de nalatenschap van haar oom, dijkgraaf Dirck van Oss junior. Van 1685 tot zijn dood in 1693 was Joan van Reijgersbergh zelf dijkgraaf van de Beemster.
Vier dochters van Joan en Sara werden volwassen: Sara, Johanna Maria, Margareta en Barbara. Van hen trouwde alleen de oudste, de anderen bleven ongehuwd. Sara van Reijgersbergh (1657-1735) trouwde met de Amsterdamse advocaat mr. François Hinlopen. Hij had dezelfde achtergrond, want zijn grootvader was ook een uit Antwepen afkomstige koopman. De boerderij op de DK53 was intussen na de dood van Sara van Oss in 1704 vererfd op Johanna Maria van Reijgersbergh (1663-1727). Bij testament legateerde Johanna Maria aan haar neef Geertruid Hinlopen de boerderij met land aan de Westdijk.
De familie Veen de Wilde in 1730 (Het Utrechts Archief)
Geertruid Hinlopen (1693-1772) was in 1721 getrouwd met Egbert Veen de Wilde (1688-1735). Hij was ook kanunnik van het Domkapittel in Utrecht. Tevens was hij ontvanger van convooien en licenten (belasting op in- en uitvoer) van het gewest Utrecht. Ze woonden in de stad Utrecht, maar gedurende de zomermaanden waren ze als huurder woonachtig op kasteel Middachten. Egbert en Geertruid kregen drie kinderen. Dochter Sara overleed ongehuwd op 21-jarige leeftijd. De jongste zoon Arend Jacob vertrok in dienst van de VOC naar Indië en overleed aldaar. De oudste zoon bleef derhalve als enige erfgenaam van de bezittingen van zijn ouders over en kreeg na de dood van zijn moeder onder andere de boerderij aan de Westdijk.
Frans de Wilde (1725-1790) was koopman in Amsterdam. Hij was boekhouder in dienst van de VOC-Amsterdam. Van 1753 tot zijn dood was hij ook hoofdingeland van de Beemster. Uit zijn huwelijk met Geertruijd Maria Assenborgh werden tien kinderen geboren, van wie er drie volwassen werden. Op 4 oktober 1802 verkochten zijn executeurs-testamentair op een openbare veiling in Amsterdam de ‘huijsmanswoning met stal, wagen-en woonhuis en grasland’ aan Evert Rus voor ƒ 8600, waarvan de helft op een lening.
Evert Jansz Rus (1773-1813) was geboren in Graft. In september 1796 trouwde hij met Trijntje Sijmons Hardebol (1776-1815) die op dat moment aan de Mijzerweg woonde. Ze kregen zeven kinderen, twee overleden jong. De slechte economische situatie tijdens de Franse tijd noopte Evert in 1809 een hypotheek van ƒ 1600 tegen 6% rente af te sluiten op zijn boerderij met land.
Een jaar na de dood van Evert hertrouwde Trijntje met Sijmen Jansz Bruijn maar zij overleed enkele maanden later. De boerderij werd gekocht door Nieng Smelik voor ƒ 13.000.
De boerderij in 1813, rechts de Graftdijkermolengang (Noord-Hollands Archief)
Nieng Smelik (1793-1867) kwam uit Edam en trouwde in 1814 in de Beemster met de 16 jaar oudere weduwe met vier kinderen Trijntje Kwak (†1855). Samen kregen ze nog zes zoons, van wie er vier jong stierven. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was Nieng Smelik nog steeds de eigenaar van de boerderij die werd getaxeerd in klasse 6 met een geschatte huurwaarde van ƒ 45. Volgens de Landbouwtelling van 1854 bezat hij een grote veestapel: 2 merries, 41 koeien, 7 kalveren, 100 schapen, 8 varkens en 1 bok.
Pieter Kroon (1819-1877) was veehouder aan de Middenweg. Hij trouwde in 1844 met Sijbreg Klomp (1822-1878) uit Katwoude. Er werden vijf kinderen geboren. Op de boerderij aan de Westdijk zette Pieter zijn aangetrouwde neef Willem Bakker (1845-1924) als pachtboer neer. Deze kwam uit Ilpendam en was kort daarvoor getrouwd met Belitje de Goede (1847-1921), een dochter van Pieter’s oudste zuster Neeltje Kroon. Het paar kreeg zeven kinderen. Een jaar voor zijn dood deed Pieter Kroon zijn boerderij aan de Middenweg over aan zijn zoon, verkocht de boerderij aan de Westdijk en verhuisde met zijn vrouw naar Middenbeemster. Het gezin Bakker vertrok naar de Rijperweg. Later werd Willem Bakker vee-inspecteur en woonde hij in Middenbeemster.
Dirk de Heer (1835-1915) werd de nieuwe eigenaar van de boerderij aan de Westdijk in een onderhandse koop. Hij betaalde er naar verluid ƒ 58.000 voor. Dirk was een zoon van de bekende schaker Aris de Heer waar de schaakvereniging in de Beemster naar genoemd is. Hij trouwde in 1865 met Trijntje Jonges uit de Wijdewormer. Ze vestigden zich verderop aan de Westdijk waar vier kinderen werden geboren. Van 1875 tot 1877 woonden ze in Schermerhorn. In mei 1877 betrok het gezin de enkele maanden eerder aangeschafte boerderij aan de Westdijk. Daar kregen ze nog een dochter. In 1886 deed Dirk de Heer de boerderij alweer van de hand en werd winkelier.
De nieuwe eigenaar was
Paul Marie Joseph Louis François Xavier Vercruysse, een grootgrondbezitter uit Kortrijk in België. In een krantenadvertentie zocht hij een nieuwe pachter. Dat werd Johannes de Wit uit Katwoude. Hij was in 1881 getrouwd met Agatha Pater uit Alkmaar. Hun oudste zoon werd geboren in de Schermer. Na hun verhuizing naar de Beemster kregen ze nog vier dochters en drie zoons. Per 1 mei 1900 kwam Simon Bakker als pachtboer op de boerderij. Hij was er geboren als zoon van bovengenoemde Willem. Twee weken eerder was hij in het huwelijk getreden met Eefje Berkhuizen (1879-1931) van de Oostdijk. Ze kregen twee dochters. In 1910 bezat Simon volgens de Landbouwtelling 2 paarden, 20 melkkoeien, 1 slachtkoe, 11 kalveren, 17 schapen en 41 lammeren, 16 varkens en 8 biggen en 19 kippen. In datzelfde jaar verkocht Vercruysse de boerderij aan Johan Hendrik Meijer uit Purmerend.
Na zijn dood verkochten zijn erfgenamen de boerderij aan Pieter Kroon. Tevens werd de veestapel en inboedel op 6 november 1867 verkocht en vroegen de erfgenamen een huurder voor de landerijen tot kerstmis.
Dirk Koelemaij en zijn vier jaar jongere broer Jacob oefenden op de boerderij aan de Westdijk een gemengd bedrijf uit als warmoezenier en veehouder. De broers trouwden op dezelfde dag in mei 1912 en gingen beiden met hun echtgenotes op de boerderij wonen. Dirk en zijn vrouw Aaltje Beunder kregen drie kinderen, Jacob en Aaltje Muts kregen slechts een zoon. In 1919 kwam aan de gezamenlijke eigendom een einde en werd Dirk alleen eigenaar. Jacob verhuisde naar de Middenweg. In 1927 verkocht Dirk de boerderij en vertrok naar de Hobrederweg.
De 22-jarige Maartje Eenhuizen was de nieuwe eigenaresse. Kort daarvoor was haar vader overleden en ze verhuisde met haar moeder Jannetje Hoek naar de Westdijk. Maartje trouwde met Dirk Ossebaar uit Oosthuizen. In 1954 werd de woning in de boerderij verbouwd. Na de dood van Maartje erfde haar schoondochter de boerderij en zes jaar later werd haar zoon Cornelis Ossebaar eigenaar. Hij verkocht deze in 1980 aan Willem Cornelis Melis, smid aan de Koemarkt in Purmerend, en zijn zwager Johannes Lambertus Haselager. In oktober 1980 verkregen zij een bouwvergunning om de boerderij te verbouwen en te splitsen in twee wooneenheden.
Johan Hendrik Meijer (1866) was geboren in de Beemster. Zijn gelijknamige vader kwam uit Mettingen in Duitsland en was tapper aan de Jisperweg. Johan Hendrik junior verhuisde na zijn huwelijk in 1887 met de Purmerendse bakkersdochter Trijntje Pelder naar deze marktstad. Zijn beroep was op dat moment timmerman, later was hij winkelier en caféhouder aan de Koemarkt. Reeds een jaar later verkocht hij de boerderij in de Beemster weer. Kopers waren de broers Dirk en Jacob Koelemaij.