Wormerweg 2
't Woud

Bron: Wikipedia
De boerderij met de familie Reijne, c. 1908 (fotocollectie HGB)
Bij de verloting van de kavels op 30 juli 1612 werd de Dijkkavel 78 op de hoek van de Westdijk en de Wormerweg toebedeeld aan Gerrit Dirksz Meerman († 1615). Hij kwam uit Delft en bekleedde daar diverse bestuurlijke functies. Uit zijn tweede huwelijk met Adriana Pous uit Zierikzee werden onder andere twee zoons geboren. Zij verdeelden in 1668 na de dood van hun moeder de landerijen in de Beemster. De boerderij aan de Middenweg [link de kleine bijenkorf] was voor oudste zoon Dirk. De jongste zoon Willem kreeg de DK78 waar inmiddels een boerderij op gebouwd was, zoals ook op de kaart uit 1644 te zien is.
kavel
DK78-79
verpondingsnummer
380
bouwjaar
1883
wijk
C74
OAT nummer
A208
eerste boerderij
voor 1644
 
 
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Willem Meerman (†1669) was schepen en raad van Delft. Hij bleef ongehuwd zodat na zijn dood zijn oudere broer Dirk de boerderij erfde. Bij die gelegenheid werd het huis met bijbehorende land getaxeerd op ƒ 700 per morgen, dus totaal ƒ13.868.
Dirk Meerman (1610-1680), heer van Molenaarsgraaf, kreeg van de koning van Frankrijk de ridderorde van St. Michiel. Hij bekleedde sinds 1639 diverse bestuurlijke functies in Delft en werd in 1658 tot burgemeester gekozen. In 1671 was hij lid van de Raad van State. Een jaar later werd hij bij de wetsverzetting van prins Willem III uit al zijn functies ontheven. Ook Dirk bleef ongehuwd. Pas in 1711 lieten zijn erfgenamen de kavel op hun naam overboeken. In 1645 was Engeltje Meerman (†1697) getrouwd met ds.Robertus Junius (1606-1655) die op dat moment predikant in Delft was. Eerder was hij vanaf 1629 in dienst van de VOC predikant geweest op het eiland Formosa (nu Taiwan). In 1653 werd hij beroepen in Amsterdam. Hij begaf zich in dat jaar aan boord van het oorlogsschip van Maarten Tromp om de zeelieden bij te staan in hun zeeslag tegen de Engelsen. Twee kinderen van dit echtpaar, Dirk en Catharina Emilia, waren de erfgenamen van de Beemster landerijen.
Dirk Junius (1648-1726) woonde ook in Delft en bleef ongehuwd. Zijn zuster Catharina Emilia Junius trouwde tweemaal, eerst in 1685 met ds. Petrus Massis, predikant te IJsselmonde, en daarna in 1724 met mr. Jacob IJsbrants uit Rotterdam. Catharina Emilia overleed in 1728, haar man was haar erfgenaam. Zijn naam staat dan ook in het verpondingsregister van 1733 vermeld. Uit zijn eerste huwelijk had Jacob een dochter Anna Maria IJsbrants die in 1704 trouwde met mr. Witte Gevers, raad in de vroedschap van Rotterdam. Hun zoon Hendrik erfde de boerderij aan de Wormerweg van zijn grootvader.
Mr. Hendrik Gevers (1706-1761), heer van Piershil, was vanaf 1737 secretaris van Rotterdam en werd in 1744 lid van de vroedschap. Hij werd vier maal tot burgemeester gekozen. Vlak nadat hij de heerlijkheid Piershil had geërfd, woedde er een hevige brand in het dorp. Ter opbeuring van de getroffen bevolking schonk hij met zijn echtgenote Catharina Noorthey aan de kerk een zilveren avondmaalsschotel met twee bekers en een kerkklok. Ook liet het echtpaar een fraaie herenbank in de kerk maken. Hendrik Gevers stierf kinderloos. Zijn erfgenamen besloten alle Beemster bezittingen van de hand te doen tijdens een openbare veiling op 29 december 1761 ten huize van Abraham van Kapelle, molenbaas van de Beemster. De DK78 werd gekocht door Claas Jansz de Boer voor ƒ 9200.
Rouwbord van Hendrik Gevers in de kerk van Piershil
Claas Jansz de Boer (†1766) was waarschijnlijk de pachter op de boerderij, want volgens de begraafregisters woonde hij al in de jaren 1730 op ‘t Woud. Na de dood van zijn weduwe Jannetje Dirks in 1775 erfde hun zoon Dirk de boerderij.
Dirk Claasz de Boer (1744-1820) was een koopman die afwisselend in de Beemster en De Rijp woonde. Hij was getrouwd met Maartje Klaas, ze kregen twee kinderen. In 1773 kocht hij ruim zeven morgen land op de naastgelegen kavel DK79. Elf jaar later kocht hij voor 400 gulden een tuin en speelhuis aan de Rijperweg in de Klaterbuurt en de jaren daarna nogmaals 11 morgen voor ƒ 8800 en een boerderij op dezelfde kavel. In de jaren 1780 en 1790 kocht en verkocht hij regelmatig landerijen. Om deze transacties te financieren nam hij hypotheken op zijn boerderij met land aan de Wormerweg, in 1797 zelfs een lening van 5000 gulden op al zijn landerijen. Op dat moment was Dirk dijkgraaf ad interim van de Beemster, een functie die hij sinds de Bataafse revolutie van 1795 bekleedde. Zijn zoon Cornelis was toen lid van het Comité Revolutionair. Hij erfde na de dood van zijn vader de boerderij.
Cornelis de Boer (1770-1855) had in 1807 voor 7094 gulden de resterende 12 morgen grasland van de DK79 gekocht. Met de erfenis van zijn vader bezat hij dus een dubbele kavel bij de boerderij. Daar woonde hij ook zoals blijkt uit de Volkstelling van 1830. Twee jaar later bij de invoering van het Kadaster werd de boerderij is getaxeerd in klasse 4 met een geschatte huurwaarde van ƒ 75. In 1824 had hij ook een boerderij met land aan de Jisperweg gekocht. Uit zijn huwelijk met Reijnoutje Smit (1769-1842) werden vijf kinderen geboren. Drie van hen stierven vóór hun vader, die de voor die tijd hoge leeftijd van 85 jaar bereikte. Na zijn dood kochten oudste dochter IJtje en haar man de boerderij aan de Wormerweg uit de boedel voor ƒ38.340.
De boerderij op de minuutplan van 1832 (Noord-Hollands Archief)
IJtje de Boer (1794-1870) was in 1816 getrouwd met Jan Kreuger en kreeg met hem zeven kinderen. Ze woonden op de boerderij van haar vader aan de Jisperweg. Ruim een jaar na de dood van haar man hertrouwde de hervormde IJtje in oktober 1835 met de rooms-katholieke boerenknecht Jacob Water uit De Rijp. Twee maanden later beviel ze van een dochter. Later werden nog twee kinderen geboren. Bij de Landbouwtelling van 1854 bezat Jacob Water 2 paarden, 17 koeien en 4 kalveren, 60 schapen en 4 varkens. Twee maanden na de dood van zijn vrouw liet Jacob in een openbare veiling al zijn vee, gereedschappen, wagens en meubels verkopen. Nieuwsgierigheid wekken de “twee pedestallen met albasten borstbeelden“. Ook verkocht hij de boerderij met land aan Klaas Jansz Schagen voor bijna 64.000 gulden. Hieruit blijkt de spectaculaire prijsstijging in deze gouden decennia van de landbouw.
Klaas Schagen (1818-1882) trouwde in 1852 met Wulmet Sijmons Kramer (1821-1876). Hun oudste kind stierf toen hij 4 jaar was. Klaas Schagen had boerderij De Valk aan de Jisperweg van zijn vader geërfd. Na zijn dood kregen zijn dochter en haar man de boerderij waar ze al sinds hun huwelijk woonden.
Wolmet en haar man Dirk Reijne gingen boeren aan de Wormerweg. Daar werden hun twee kinderen geboren. Later verhuisde het gezin naar de Hobrederweg. In 1913 werd een bouwvergunning verleend voor de sloop van een schuur en de bouw van een varkensstal. Belitje Schagen bleef na het overlijden van haar man eigenaresse van de boerderij. Pas bij de boedelscheiding na haar dood werden Dirk Reijne en Wolmet Eijssen eigenaar. Hun zoon Gerrit was intussen op 25-jarige leeftijd overleden. Dochter Belitje Reijne (1900-1977) trouwde in 1923 met Jan Cornelis Visser (1900-1979). Na de dood van haar ouders werden zij eigenaar van de boerderij. In 1955 werd het woongedeelte van de boerderij verbouwd en kwam er een gierkelder bij. Ze kregen vier zoons en twee dochters, van wie de oudste en de jongste emigreerden naar Australië. De zoons Jan en Gerrit en dochter Nelly Wolmet zetten het boerenbedrijf aan de Wormerweg voort. In 1980 bij de boedelscheiding na het overlijden van Jan Cornelis Visser kwam de boerderij in eigendom van de Australische familieleden. Zij liet de boerderij verkopen. De nieuwe eigenaars waren Christina van der Spank en haar man Jac de Vries, ondernemer te Middenbeemster. Zij lieten het huis onder architectuur verbouwen.
In 1998 werd de boerderij met staartstuk en bijbehorende koetshuis als een “karakteristiek gaaf voorbeeld van landelijke, streek-eigen bouwkunst“ op de Rijksmonumentenlijst geplaatst. Volgens de Rijksdienst is de boerderij “zorgvuldig gerestaureerd en aan een woonbestemming aangepast“. Delen van het interieur zijn nog oorspronkelijk.
De naam van de boerderij, ‘t Woud, komt in de bronnen niet voor. Maar de gehele omgeving van de Woudermolengang werd zo genoemd naar de aan de overzijde van de ringdijk gelegen verdwenen nederzetting in de Eilandspolder.
Dirk Jansz Eijssen (1850-1917) was van doopsgezinde huize, zijn moeder was een Doets. Hij was in 1876 getrouwd met Belitje Schagen (1854-1932). Ze kregen vier kinderen, de oudste werd slechts een maand na het huwelijk geboren. Dirk liet in 1883 de boerderij herbouwen en vergroten. De oppervlakte van het huis en de schuren werd 578 m2 en de belastbare waarde werd opgetrokken naar ƒ 275. Dirk kreeg echter voor vijf jaar vrijstelling van het betalen van belasting. Na het huwelijk van hun oudste dochter Wolmet in 1897 verhuisden Dirk en Belitje naar Middenbeemster.