Zuiddijk 6
De Burcht

Foto Boerderijenbeeldbank
De boerderij met de familie Jantjes, begin jaren '20 (fotocollectie HGB)
kavel
DK23
verpondingsnummer
343
bouwjaar
onb. (voor 1832)
wijk
B71
OAT nummer
E230
eerste boerderij
voor 1628
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen
Op 30 juli 1612 vond op het Slot te Purmerend de verloting plaats van de kavels van de Beemster onder diegenen die zich hadden ingeschreven als participanten in de droogmaking en er naar rato van hun inschrijving aan hadden meebetaald. Bij deze loting werd de Dijkkavel 23, groot 20 morgen, toebedeeld aan Jaspar van Dortmond, een koopman uit Amsterdam. Hij was oorspronkelijk uit Vlaanderen afkomstig, maar had zich na de val van Antwerpen in 1585 in Amsterdam gevestigd. Bij de droogmaking van de Beemster waren uitzonderlijk veel Zuid-Nederlanders betrokken, waarschijnlijk behorend tot de kring van Dirck van Oss, de initiatiefnemer en grootste investeerder in het project, die eveneens uit Antwerpen kwam
In de volgende jaren wisselde de DK23 diverse malen van eigenaar. In juni 1614 werd de Haarlemse koopman
Pieter Theunen de nieuwe eigenaar, maar hij verkocht de kavel al in oktober 1615 aan Jan Willemsz Verschoor (†1639), een koopman uit Delft die al landerijen in de Beemster bezat. Hij verkocht de DK23 in maart 1620 aan Pieter van Montvoort. In deze tijd werd de kavel bebouwd, want bij de volgende verkoop op 23 april 1628 is sprake van een huis met boomgaard, plantagie en land. Koper was Dirck Alewijn, een Amsterdamse koopman. Op de betrouwbare kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644 is op de kavel DK23 een gelijkend huis te zien.
Het huis op dijkkavel 23 in 1644
De familie Alewijn was in de zeventiende en achttiende eeuw een vooraanstaande familie van kooplieden en bestuurders te Amsterdam die daarnaast een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de Beemster. Van 1630 tot 1817 hebben leden van de familie Alewijn functies bekleed in het polderbestuur van de Beemster. De familie gaat terug op een Middeleeuwse voorvader Gerard Alewijn, schildknaap, die in 1322 enige goederen in leen ontving van graaf Willem III.
Dirck Alewijn (1571-1637) was lakenkoopman in Amsterdam. Hij woonde eerst in de Warmoesstraat in Het Gulden Hooft dat hij in 1604 voor ƒ 13.000 had gekocht en verhuisde later naar de Herengracht in het huis De Sonnewijser. In 1631 werd hij met zijn tweede vrouw aangeslagen voor een vermogen van circa ƒ 325.000. Een groot deel van zijn vermogen belegde hij in grondbezit in de Beemster. Sedert 1623 kocht hij aanzienlijke hoeveelheden land in de nieuwe droogmakerij. In 1630 werd hij tot hoofdingeland in het polderbestuur verkozen. In 1636 verkreeg Dirck ook ruim 8 morgen in de naastgelegen kavel DK22.
Dirck Alewijn, collectie Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie
Zijn oudste zoon Frederick Alewijn (1603-1665) werd in 1639 hoofdingeland van de Beemster. Hij verdeelde met zijn broer Abraham de landerijen van hun vader, waarbij Frederick onder andere de DK22-23 verwierf. Frederick Alewijn kocht nog meer land, waaronder enkele kavels aan de Zuiderweg. Daar liet hij in 1642 de buitenplaats Vredenburgh bouwen, naar een ontwerp van Pieter Post. Door zijn tweede huwelijk met Eva Bicker trad hij toe tot de hoogste kringen in Amsterdam. In 1657 werd hij tot raad in de vroedschap van Amsterdam gekozen. Zijn vermogen wordt geschat op ƒ 265.000.
Frederick Alewijn (1603-1665)
Eva Bicker (1609-1665)
Zijn enige zoon Dirk Alewijn (1644-1687) trouwde met zijn nicht Agatha Bicker (1647-1716). In Amsterdam bekleedde hij slechts de functie van kerkmeester. Hij werd in 1676 hoofdingeland van de Beemster. Zijn vermogen werd in 1674 geschat op ƒ 250.000. Hij erfde alle Beemster landerijen van zijn vader. Na de dood van Agatha verdeelden de kinderen Eva, Fredrik, Dirk en Anna Alewijn de nalatenschap van hun ouders, waarbij Eva het huis op DK23 met de bijbehorende landerijen verkreeg.
Dirk Alewijn (1644-1687)
Agatha Bicker (1647-1716)
Eva Alewijn (1674-1721) was gehuwd met mr. Jacob Jan de Backer (†1719). Zij hadden geen kinderen. Bij testament liet Eva Alewijn haar bezittingen na aan haar broers en zuster. Zij verdeelden de boedel: Dirk kreeg de boerderij met landerijen (DK22-23).
Mr. Dirk Alewijn (1682-1742) was in 1720 schepen van Amsterdam. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot dijkgraaf van de Beemster. In 1735 trad hij toe tot de vroedschap van Amsterdam. Hij kocht in 1739 voor ƒ 13.000 een huis aan de westzijde van de Herengracht bij de Leliegracht. Zijn weduwe, Bregje Loten (1692-1760), werd in 1742 voor de Personele Quotisatie, een soort belasting op welstand, aangeslagen voor een jaarinkomen van ƒ 9.000-10.000. Zij had zeven dienstboden, een buitenplaats, een koets met twee paarden en het huis aan de Herengracht werd geschat op een huurwaarde van ƒ 1900. In het familiearchief bevindt zich een document uit 1738 met een specificatie van alle goederen en effecten in bezit van mr.Dirk Alewijn. Daarin wordt het huis aan de dijk tegenover Jisp met land op DK23 en het oostelijk deel van DK22 geschat op ƒ 19.400. Bregje liet als boedelhoudster volgens het gezamenlijke testament met haar overleden man alle Beemster bezittingen, waaronder Vredenburgh en de DK22-23, op haar naam zetten. Na haar dood verdeelden in 1761 de drie jongste kinderen, mr. Frederik Alewijn, raad van Amsterdam en dijkgraaf van de Beemster, Duijfje en Eva Anna Alewijn de nalatenschap van hun ouders, waarbij Frederik de buitenplaats Vredenburgh kreeg en Eva Anna de DK22-23.
Eva Anna Alewijn (1730-1770) overleed ongehuwd, waarna de Beemster dijkkavel in bezit kwam van haar tante Agatha Alewijn (1721-1801), echtgenote van mr. Theodorus de Smeth, vrijheer van Deurne en Liesselt. De weduwe van hun zoon mr. Dirk de Smeth, wonende in Brussel, verkocht in openbare veiling op 26-10-1808 gehouden in de Beemster aan Dirk Visser, koopman te Zaandam, het huis De Burg met ruim 28 morgen landerijen. (DK22-23) voor ƒ 13.340. Dat is de eerste keer dat de naam van het huis in de bronnen wordt vermeld.
Dirk Gerritsz Visser (1757-1819) was koopman en olieslager. Hij trouwde met Aaltje Vas (1769-1835), afkomstig uit een oude rijke Zaanse koopmansfamilie. Bij de invoering van het Kadaster in 1832 is de kavel nog steeds in bezit van de weduwe van Dirk Visser. Het huis met een oppervlakte van 387 m² werd aangeslagen in klasse 6 met een getaxeerde huurwaarde van ƒ 45. Na de dood van Aaltje Vas werd in 1836 de nalatenschap verdeeld tussen haar twee zoons. Oudste zoon Gerrit erfde de boerderij aan de Zuiddijk.
De boerderij op de minuutplan uit 1813 van het Kadaster (Noord-Hollands Archief)
Gerrit Visser van Hazerswoude (1807-1872) kocht de hoge heerlijkheid Hazerswoude van Willem baron Roëll. Hij was getrouwd met Grietje Houttuijn, dochter van een rijke Zaanse koopman. Hun zoon Dirk kreeg na de dood van zijn vader diens Beemster landerijen.
Mr. Dirk Visser van Hazerswoude (1830-1890) was advocaat in Amsterdam en later politicus voor de Liberale Unie. Hij was eerst lid van de Eerste Kamer en later van de Tweede Kamer. Ook was hij voorzitter van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw. Hij erfde van zijn vader ook het landgoed Westerhout in Heemstede. Zijn huwelijk met jonkvrouwe Marie Anne Catharine van Merlen bleef kinderloos. Zijn zuster was zijn erfgenaam.
Clasina Alida Visser van Hazerswoude (1839-1912) was getrouwd met een broer van haar schoonzuster, jonkheer Jean Baptiste van Merlen (1833-1909). Hij kwam uit een geslacht van militairen. Zijn gelijknamige grootvader sneuvelde in de slag bij Waterloo. Zijn vader Bernard, generaal-majoor, nam deel aan de Belgische veldtocht in 1830. Jean Baptiste zelf was ritmeester bij de cavalerie. In 1873 kocht het echtpaar voor ruim 200.000 gulden van de erven Hope landgoed Groenendaal in Heemstede. In feite betaalde Clasina Alida dit met de erfenis van haar vader. Het landgoed was sterk verwaarloosd, maar de nieuwe eigenaren lieten het opknappen en maakten er een lusthof van met herten in het park. In 1913 na de dood van Clasina Alida is het gehele landgoed van circa 86 ha gekocht door de gemeente Heemstede.
Het echtpaar Van Merlen-Visser
op het landgoed Groenendaal voor het landhuis, circa 1905
Jhr. Mr. Bernard Cornelis van Merlen (1862-1942) erfde de boerderij aan de Zuiddijk in de Beemster. Hij was hoofdingeland van het Waterschap De Beemster. Van 1896 tot 1905 was hij burgemeester van Heiloo. Later woonde hij in Bilthoven. In 1918 verkocht hij de boerderij met land aan Willem Smit Leendertsz, warmoezenier in de Beemster. Vrijwel direct verkocht deze het door aan Pieter van Petten uit Kwadijk en zijn zwager Klaas Jantjes uit Graft.
Klaas Jantjes (1893-1978) verkreeg in 1920 alleen het eigendom. Hij was in 1918 als pachter op de boerderij gekomen vlak na zijn huwelijk met Gerritje Hartog (1894-1963) uit Oosthuizen. Volgens de Landbouwtelling van 1930 was Klaas Jantjes tuinder van beroep en bezat hij ruim 7 ha land. Daarvan was 3,5 ha bouwland en 0,5 ha tuingrond. Verder bezat hij een paard, 4 melkkoeien, 4 schapen, 20 kippen en 18 kuikens. Er was dus sprake van een gemengd bedrijf.
Ze kregen drie zoons die aanvankelijk gezamenlijk erfgenaam van de boerderij waren. Later verkreeg de oudste zoon Jacob Jantjes (1920-2004) alleen het eigendom. Hij woonde er ook. Zijn broers waren veehouder te Warder en aan de Volgerweg in de Beemster. In 1985 werd de boerderij met ruim 7 ha weiland verkocht aan Jacob Laan, veefokker aan de Volgerweg.
Totdat Klaas Jantjes eigenaar-bewoner werd, was het altijd een pachtboerderij. Vanaf eind 18e eeuw waren diverse generaties van dezelfde familie gedurende ruim een eeuw pachter. Omstreeks 1789 kwam Teunis Leeuwenkamp (1758-1818) op de boerderij. Hij was getrouwd met Meinsje Kok (1758-1832), ze kregen acht kinderen van wie er drie volwassen werden. Volgens de Volkstelling van 1830 woonde de weduwe Leeuwenkamp er samen met haar toen 39-jarige zoon Dirk, een werkman en twee dienstbodes. Een jaar later trouwde Dirk met een van deze dienstmeisjes, Aagje Goede uit Landsmeer. Zij stierf in het kraambed bij de geboorte van een dochter. Het meisje werd slechts 14 maanden oud. Dirk hertrouwde daarna met Nelletje Wedepool (1810-1874) uit Uitdam en kreeg met haar nog vier kinderen. De jongste was nog geen jaar oud toen Dirk Leeuwenkamp in december 1844 overleed. Precies een jaar later hertrouwde zijn weduwe met Pieter Couwenhoven en bleef met hem op de boerderij wonen. Later nam haar jongste zoon Hendrik Leeuwenkamp (1844-1875) het bedrijf over. Toen Hendrik onverwacht stierf, bleef zijn vrouw Clasina Man met twee kleine kinderen en hoogzwanger achter. Zij hertrouwde met Jan de Jong (1841-1907) uit Middelie. Hij was weduwnaar van een nicht van haar man. Clasina kreeg met hem nog drie kinderen. Zij bleven op de boerderij tot haar dochter Grietje Leeuwenkamp (1872-1943) na haar huwelijk met Jan Beets (1869-1908) het bedrijf overnam.
Haar halfbroer Jan de Jong junior woonde als knecht bij hen in. Samen met hem bleef Grietje met haar twee kinderen op de boerderij totdat deze in 1918 door Klaas Jantjes werd overgenomen. In de Landbouwtelling van 1910 staat de weduwe J. Beets vermeld met 23 ha land in pacht. Zij bezat een paard, 10 melkkoeien, 10 mestkoeien, 10 kalveren, 112 schapen en 14 lammeren en één geit.