Zuiderweg 18
Wapenrust

Foto uit de Boerderijenbeeldbank
Collectie Historisch Genootschap Beemster
In juli 1612 werd de Dijkkavel 25 aan de Zuiddijk toebedeeld aan Jan Poppen. Een jaar later verwierf hij ook de naastgelegen DK26. Samen waren de kavels bijna 39 morgen groot, iets kleiner dan gebruikelijk omdat de Jispermolengang dwars door de DK25 liep en de grond daarvan toebehoorde aan het polderbestuur.
Jan Poppen (1545-1616) was een Amsterdamse koopman, hij kwam oorspronkelijk uit Holstein. Hij raakte al in de jaren 1590 betrokken bij de compagnieën die op Oost-Indië gingen handelen. Bij de oprichting van de VOC in 1602 nam hij voor ƒ12.000 aandelen en werd als een van de bewindhebbers aangesteld. Hij was een grote investeerder in de droogmaking van de Beemster en verkreeg 290 morgen land. Zijn zoon Jacob Poppen, die zelf ook investeerde in het project en 113 morgen kreeg, erfde de landerijen van zijn vader.
kavel
DK25
verpondingsnummer
16
bouwjaar
1700-1710
wijk
B61
OAT nummer
E208
eerste boerderij
voor 1624
Balthasar Scott
Jacob Poppen (1576-1624) was sedert 1609 lid van de vroedschap van Amsterdam en werd driemaal tot burgemeester gekozen. In 1618 werd hij bewindebber van de VOC. Ook was hij als een der ondertekenaars van het rekest vanaf het begin betrokken bij de droogmaking van de Beemster. Derhalve was hij hoofdingeland. Waarschijnlijk was hij degene die de boerderij op DK25 liet bouwen. Opvallend is dat deze niet, zoals doorgaans gebeurde op dijkkavels, aan de dijk werd gebouwd, maar aan de Zuiderweg. Op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1644 is het huis met de boomgaard, naast de Jispermolensloot, goed zichtbaar. Poppen was een zeer rijke koopman, zijn nalatenschap bedroeg ruim 900.000 gulden. In 1634 werden op verzoek van de voogden van Jacob’s minderjarige kinderen, Elisabeth en Joan, zijn landerijen in de Beemster getaxeerd: hij bezat ruim 440 morgen die zo’n ƒ 471.000 waard was. Het huis werd getaxeerd op ƒ 1800 en het bijbehorend land op 850 gulden per morgen, zodat het geheel bijna 35.000 gulden waard was. Het vererfde, samen met onder meer de buitenplaats Cromhout aan de Volgerweg, op dochter Elisabeth.
Elisabeth Poppen (1615-1645) trouwde in 1635 met Willem van der Wiele, heer van der Werve, Nieuwerkerk etc.(1612-1654). Hij bezat ook Huis de Werve bij Den Haag. Op grond van de erfenis van zijn vrouw werd Willem, ondanks dat katholieken in die tijd formeel geen bestuurlijke functies mochten bekleden, in 1643 hoofdingeland. Na zijn dood, net als zijn zwager als gevolg van teveel drinken, werden de bezittingen in de Beemster getaxeerd op ruim ƒ 225.000. Het huis op DK25 was toen nog maar ƒ 1000 waard, maar de landerijen nog steeds 850 gulden per morgen.
Dochter Elisabeth Theresia van der Wiele van der Werve (+1656) erfde de boerderij aan de Zuiderweg. In 1655 trouwde ze in Den Haag met baron Jan Helman. Ze overleed een jaar later na de geboorte van een tweeling. Haar man kreeg haar bezittingen.
Jan Helman (1631-1711) was heer van Muykerke, Dussen en Herlaar. Oorspronkelijk kwam de familie Helman uit Keulen, maar omstreeks 1550 verhuisde Henri Helman met zijn gezin naar Antwerpen. Er waren familiebanden met de beroemde schilder Peter Paul Rubens. Kort nadat hij in 1661 ook de heerlijkheden Willebroek en Ruisbroek had gekocht, richtte hij een verzoek aan de Spaanse koning Philips IV, onder wie de Zuidelijke Nederlanden toen vielen, om deze heerlijkheden te verheffen tot baronie, wat op 24 september 1661 werd goedgekeurd. Baron Jan Helman liet daarna in Willebroek een prachtig kasteel in Italiaanse stijl bouwen.
In 1692 werd de boerderij aan de Zuiderweg overgeschreven op naam van
Joan Pieter Helman (1656-1694), de enige zoon uit zijn eerste huwelijk. Hij trouwde met Marie-Françoise de Claris de Clairmont. Zijn bezittingen in de Beemster vererfden op zijn kinderen uit dit huwelijk.
Johan François Helman (1688-1718) verkreeg in 1711 de DK25-26 “met het nieuwe huijs”. Hij nam er in 1712 een hypotheek van 6000 gulden tegen 5% op ten gunste van Pieter Geelhand, een Amsterdamse koopman. Johan François woonde in Brussel en was getrouwd met Philippine Colombe de Bijekercke. Na zijn dood verklaarde zij dat zij de nalatenschap van haar man met vele schulden belast had aangetroffen en daarom de goederen in Holland wilde verkopen. In augustus 1718 werd Balthasar Scott voor ƒ 19.535,40 de nieuwe eigenaar van de boerderij met twee kavels.
Balthasar Scott (1672-1741) was vroedschap en burgemeester van Amsterdam en bewindhebber van de VOC. In 1718 werd hij hoofdingeland van de Beemster, maar hij was toen al dijkgraaf van de Watergraafsmeer waar hij een buitenplaats bezat. Hij was bankier en koopman en handelde op Spanje, Italië en het Midden-Oosten. In 1715 kocht hij voor 50.000 gulden een huis in de Gouden bocht van de Herengracht en liet dat met veel grandeur verbouwen. Zijn nalatenschap bedroeg bijna 850.000 gulden. Uit zijn twee huwelijken had hij geen kinderen. De executeurs-testamentair van zijn weduwe Constantia Aletta Coymans (1685-1744) verkochten de boerderij aan de Zuiderweg voor ƒ 13.300 aan Hermanus Borghorst.
Hermanus Borghorst (1686-1759) bezat de buitenplaats Volgerwijk aan de Volgerweg. Hij was sedert 1720 vele malen hoogheemraad van de Beemster en werd in 1730 hoofdingeland. Hij trouwde eerst met Alida van Tarelink. Zijn tweede vrouw was zijn nicht Sara Maria Couturier (1697-1764). Samen met haar kinderen verkocht zij de boerderij op 14-10-1760 in een openbare veiling ten huize van Abraham van de Capelle, molenbaas op de timmerwerf bij Purmerend, aan Jan van Hem, kastelein van Het Bonte Paard in Middenbeemster. Hij verkocht het vrijwel direct voor hetzelfde bedrag, ƒ 10.780 aan Lijsbet Kaars, weduwe van Maarten Beets, uit De Rijp. Zij bleef ook maar kort eigenaar, want in maart 1761 werd, weer voor dezelfde prijs, Pieter van Aalst eigenaar.

Pieter van Aalst woonde in Westzaandam en was de enige zoon van de predikant aldaar. Hij bezat de houtzaagmolen De Held Jozua, een paltrokmolen in het Westzijderveld bij Zaandam (nu middenin een woonwijk). De boerderij in de Beemster gaf hij dezelfde naam.
Na zijn dood werd de boerderij De Held Jozua met weilanden in een openbare veiling op 12-8-1777 in Purmerend verkocht voor ƒ 21.600, plus 25 gulden voor enig los hout, aan Maria Cornelia van Herzeele uit Amsterdam.
 
Molen de Held Jozua
Maria Cornelia van Herzeele (1751-1798) trouwde in 1778 met Christiaan Everard Vaillant (1746-1829), zoon van een regent van Enkhuizen. Hij werd directeur van de heffing op in- en uitgaande handelsgoederen. Maar liefst 65 jaar bekleedde hij de post van boekhouder van het stadsfabriekambt (publieke werken) in Amsterdam en woonde dan ook aan de stadstimmertuin.
Christiaan Everard Vaillant (Rijksmuseum)
In 1805 liet hij de boerderij op zijn naam overboeken als zijnde voogd over zijn acht minderjarige kinderen. Volgens overlevering was de Orangist Vaillant zo blij met de nederlaag van de Fransen en het herstel van de Oranjes in 1813 dat hij de boerderij een nieuwe naam gaf: Wapenrust. Bij de invoering van het Kadaster staat in de OAT de boerderij nog steeds op zijn naam, hoewel hij drie jaar eerder was overleden. Het huis, met een oppervlakte van 260 m2, werd in klasse 6 aangeslagen met een huurwaarde van 45 gulden. Direct in 1832 werd het huis in de kadastrale leggers overgeboekt op naam van zijn zoons.
Christiaan Johannes Vaillant (1780-1848) en Cornelis Reijnhard Vaillant (1781-1849) waren beiden raadsheer, respectievelijk in het Provinciaal Hof van Zuid-Holland en in de Hoge Raad. De broers verkochten in 1847 de boerderij met land voor 29.000 gulden aan Joannes Antonius Hekman (1823-1899) uit Amsterdam. Later woonde hij in de buurt van Apeldoorn.
In de jaren 1850 werd Krijn Kramer (1825-1875) pachter op Wapenrust. Hij was in 1848 getrouwd met Mietje Dekker uit Nieuwendam. Het paar kreeg zes kinderen, van wie er vier jong overleden. Mietje stierf in januari 1873, enkele maanden later hertrouwde Krijn met Anna Maria van der Lee, een 35-jarige weduwe.
 
In 1879 liet eigenaar Hekman de boerderij verbouwen. De geschatte huurwaarde werd 375 gulden. In 1890 en 1891 kwamen er twee schuren bij. Na Hekman’s dood werd zijn weduwe Maria Elizabeth de Visscher (1828-1914) de eigenaar. Haar erfgenamen verkochten de boerderij met 32 ha. land voor ƒ 85.000 aan Carl Marie Franz Schade (1849-1920), een grootgrondbezitter die in Oosterbeek woonde.
In 1921 kwam Wapenrust op naam van zijn weduwe en drie kinderen. Tien jaar later vond een boedelscheiding plaats waarbij Theresia Maria Anna Elisabeth Diekmann, weduwe Schade, de boerderij kreeg. Zij stierf in 1936 op 88-jarige leeftijd. De oudste dochter, Theresia Maria Antonia Josepha Schade, erfde de bezittingen in de Beemster. Zij was in 1906 getrouwd met Alphons Marie Francois Louis Povel, familie van de oprichter van de Winkel van Sinkel. Zij woonden in Amersfoort en later in Bilthoven. In 1948 werd de boerderij verkocht aan de St. Radboudstichting in Utrecht, vanaf 1961 was dit de Katholieke Universiteit te Nijmegen. In 1965 werd de boerderij verkocht aan Wilhelmus Jacobus van Wees, veehouder te Amstelveen. Vier jaar later verkocht hij het terug aan de universiteit. In 1971 deed deze de boerderij definitief van de hand. Wilhelmus Johannes Duijn werd eigenaar. Hij kreeg in april 1972 een bouwvergunning voor verbouw van de boerderij.
Pieter Kramer had volgens de Landbouwtelling van 1910 ruim 41 ha. grond in pacht. Hij moet naast de boerderij aan de Zuiderweg dus nog meer land hebben gehad. Op zijn landerijen hield hij 2 paarden, 21 melkkoeien, 49 stuks mestvee, 8 jonge koeien, 80 schapen en 50 lammeren, 8 varkens, 30 kippen en 40 kuikens. In 1918 trouwde Pieter’s jongste dochter Anna Maria Catharina Kramer (1890-1946) met Johannes Duijn (1888-1969). Zij gingen boeren op Wapenrust. Vader Pieter bleef bij hen inwonen. Hun jongste zoon was Wilhelmus Johannes Duijn die na ruim een eeuw pachten als eerste van de familie de boerderij Wapenrust in eigendom kreeg. Sinds 1991 zitten zijn dochter Wilma en haar man Jos Konijn op de boerderij.
Na de dood van zijn vader Krijn was Pieter Kramer (1854-1942) pachter op Wapenrust. In 1876 trouwde hij met Maartje Kramer. Zij kregen maar liefst 16 kinderen, van wie 9 jong stierven. Een jaar na de geboorte van de laatste overleed moeder Maartje, slechts 40 jaar oud. Sedert 1891 was Pieter Kramer lid van de gemeenteraad. Hij bekleedde ook diverse bestuursfuncties, onder andere was hij bestuurslid van het Beemster Veefonds.
Een project van Katja Bossaers
Beemster                  Boerderijen